Geen inzicht in kosten gemoeid met drugsgebruik; Drugsgebruik jongeren in Europa groeit

Het gebruik van cannabis en 'dansdrugs' neemt toe onder Europese jongeren. Heroïne blijft probleemdrug nummer één, aldus het tweede jaarverslag van het Europese drugsinstituut EMCDDA.

LISSABON, 5 NOV. Tussen 1993 en 1996 voerden Frankrijk en Nederland een zenuwenoorlog. De inzet was het Nederlandse liberale drugsbeleid. In dezelfde jaren groeide in de Europese Unie het aantal verslaafden dat van staatswege methadon krijgt toegediend explosief, van 73.000 naar 207.000. En nergens vond deze zo Nederlands-toegeeflijke methode sneller ingang dan in het Frankrijk van Chirac, dat in 1993 slechts vijfhonderd methadonplaatsen kende, maar vorig jaar al vijfduizend. Bovendien wordt 30.000 Franse verslaafden inmiddels de heroïnevervanger zonder 'recept' voorgeschreven.

“Nederlanders zijn geneigd retoriek en realiteit door elkaar te halen”, zegt de Brit Richard Hartnoll, het hoofd epidemiologie van het Europese drugsinstituut EMCDDA in Lissabon. “Jullie nemen de zaken zo letterlijk. De drugswetgeving in de Europese lidstaten is vaak anders dan wat landen zeggen te doen, en dat is weer anders dan wat ze werkelijk doen.”

Het EMCDDA in Lissabon kan het weten. Dit onderzoeksinstituut werd in 1993 opgericht om de vijftien lidstaten van de EU enig objectief inzicht te geven in Europese trends in drugsgebruik en drugsbeleid. Gisteren werd in Lissabon het jaarrapport over 1997 aangeboden aan de Portugese president. Naast de bijna unanieme acceptatie in Europa van methadonverstrekking constateert het EMCDDA een aantal interessante trends.

Drugsgebruik blijkt in alle lidstaten van de EU toe te nemen, met name onder jongeren. Het betreft vooral cannabis, maar ook middelen als XTC, cocaïne en amfetamine zijn in opmars. Cannabisgebruik (hasj en marihuana) is nog redelijke zeldzaam in de landen aan de rand van de Europese gemeenschap - Finland, Zweden, Griekenland en Portugal. Daar heeft slechts 4 tot 7 procent van de jeugd het middel ooit gebruikt. In landen als Spanje, Nederland, Denemarken en België schommelt het aantal jonge hasjrokers tussen de 15 en 25 procent, het Verenigd Koninkrijk is koploper met 30 procent. Het gaat overigens meestal om experimenteel gedrag. Als dezelfde scholieren wordt gevraagd of ze het afgelopen jaar het gebruik van hasj of marihuana hebben doorgezet, blijven slechts enkele procenten over.

Onder jonge scholieren is het oude, nogal ongezonde snuiven van lijm en oplosmiddelen nog altijd populair. In landen waar dit is onderzocht gaat het doorgaans om 4 tot 7 procent van de scholieren. Het op drugsgebied zeer strenge Zweden is de enige lidstaat waar lijm meer in trek is onder 15- en 16-jarigen dan de in dat land moeilijk verkrijgbare cannabis. Van de Zweedse jeugd heeft 9 procent weleens lijm gesnoven.

Het EMDCCA besteedt dit jaar veel aandacht aan de opkomst van de 'dansdrugs' onder de Europese jeugd. “De jaren negentig vertonen overeenkomsten met de vroege jaren zeventig”, zegt Richard Hartnoll. “In heel Europa spelen drugs nu een grote rol in de jeugdcultuur. Het is een psychedelische cultuur die gedragen wordt in de mode, vormgeving, muziek en grote festivals. De moderne dans- en drugscultuur wordt gedomineerd door relatief welvarende jongeren die op school zitten of werken, en niet door de kansarmen die we doorgaans met heroïneproblemen associëren. Marketing, van frisdrank tot sportkleding, verwijst expliciet of impliciet naar drugs, zelfs multinationals maken in toenemende mate reclame met expliciete drugsboodschappen.

Onder dansdrugs verstaan de onderzoekers van het EMCDDA zowel oude 'feestdrugs' als amfetamine, LSD en cocaïne, als de nieuwe 'designer-drug' XTC en zijn vele chemische varianten. Waar de housecultuur het eerst toesloeg - het Verenigd Koninkrijk, Nederland, België, Spanje - is het aantal jongeren dat met dansdrugs in aanraking komt het hoogst, al overtreft het zelden de 5 procent. Uitzondering is de Britse jeugd, van wie 10 procent amfetamine en 12 procent LSD heeft gebruikt. Het Verenigd Koninkrijk, Nederland en Vlaanderen kennen met 5 procent een relatief hoog XTC-gebruik onder scholieren. Maar grosso modo is de 'recreatieve' drugsgebruiker van de jaren negentig een 'poly-gebruiker'. “Wat de jongeren van nu onderscheidt van die van tien jaar geleden”, zegt Hartnoll, “is dat hun drugsgebruik gevarieerder is. Ze proberen beurtelings cannabis, cocaïne, XTC, LSD, paddestoelen, amfetamine. En steeds meer jongeren hebben tegenwoordig een dergelijk cocktail-kabinet.”

De implicaties voor de nog altijd sterk op heroïne gerichte drugshulpverlening zijn nog niet duidelijk. XTC veroorzaakt in de lidstaten tot dusver vrij weinig problemen. “We praten over enkele tientallen doden op enkele tientallen miljoenen gebruikers”, zegt Hartnoll. “Er zijn aanwijzingen dat langdurig en intensief gebruik van XTC het zenuwstelsel kan aantasten, maar in de regel is het geen riskant middel.” Het feit dat het om 'normale' jongeren gaat die overlijden tijdens een 'gewoon avondje uit', verklaart volgens het EMCDDA de enorme aandacht die de sporadische 'XTC-dode' in de pers krijgt. Het aantal XTC-slikkers dat zich bij de drugshulpverlening meldt, is nog altijd laag. In Nederland was vorig jaar XTC de probleemdrug voor 1,5 procent van de klanten van de drugshulpverlening. In het met dansdrugs doordrenkte Verenigd Koninkrijk had in 1995 slechts 1,2 procent een XTC-probleem.

De probleemdrug in de Europese Unie is en blijft heroïne, met uitzondering van de Scandinavische landen, waar een lange traditie van amfetamine-injecteren bestaat. Minder dan een procent van de Europese bevolking heeft ooit heroïne gebruikt, toch is het middel verantwoordelijk voor verreweg de meeste drugsdoden en aan drugs gerelateerde criminaliteit en legt het de zwaarste claim op de gezondheidszorg en de hulpverlening. Naar schatting 750.000 tot een miljoen Europeanen kampen met een heroïneverslaving, per land doorgaans zo'n twee op de duizend mensen. Het gaat om een subcultuur die weinig aantrekkingskracht heeft op jongeren en die langzaam veroudert. De jonge aanwas die zich in de jaren negentig nog tot heroïne bekeert, betreft specifieke risicogroepen zoals allochtone jongeren. Crack-cocaïne, een zeer verslavend middel, wordt vrijwel uitsluitend binnen deze subcultuur van heroïneverslaafden gebruikt. Het injecteren van heroïne raakt overigens uit de mode. In Nederland is het percentage injecterende heroïne-verslaafden zelfs gedaald tot 14 procent van het totaal. De rest rookt het.

Wat betreft het aantal drugsdoden bestaat duidelijke trend in Europa. Tot begin jaren negentig steeg het aantal drugsdoden in Europa, daarna heeft het aantal zich min of meer gestabiliseerd. Aids en HIV-besmettingen onder verslaafden nemen in bijna alle landen af of blijft gelijk. Dit lijkt het gevolg van de Europese acceptatie van het beleid van harm reduction: methadonverstrekking en spuitenomruil om het bestaan van verslaafden te vergemakkelijken en de verspreiding van besmettelijke ziektes tegen te gaan. Het EMCDDA heeft dit jaar voor het eerst ook een schatting gemaakt van het aantal verslaafden dat lijdt aan hepatitis-C, een ziekte die vijftig tot honderdmaal besmettelijker is dan aids. Verslaafden beschouwen hepatitis-C nauwelijks als een ziekte, maar op termijn kan de ziekte ernstige leverschade en kanker veroorzaken. Een half miljoen Europese verslaafden heeft het onder de leden, aldus de EMCDDA.

Op één punt staat het Europese drugsinstituut met lege handen. De EU gaf het instituut de opdracht na te gaan in hoeverre investeringen in het drugsbeleid effect hebben. Dat is volgens Richard Hartnoll nauwelijks vast te stellen. Geen enkele lidstaat kan aangeven hoeveel precies aan drugsbeleid wordt uitgegeven, evenmin is duidelijk wat het drugsprobleem de samenleving kost. Hartnoll vindt een Europese kosten-baten analyse nuttig. “Politici zetten in heel Europa vele tientallen miljarden in tegen drugs, maar het gebruik blijft toenemen”, zegt Hartnoll. “Dan mag je vragen of dat geld goed besteed wordt. Het antwoord is volgens mij een simpel 'nee'. De EU besteedt nu meer dan 65 miljoen gulden aan een project om de coca-productie in Bolivia te verminderen. Dat is weggegooid geld. Als je puur op basis van kosten-effectiviteit kijkt naar het drugsbeleid, dan zijn investeringen in zorg en hulpverlening verreweg het meest interessant. Een cliché van Europese beleidsmakers wil dat er 'een balans moet zijn tussen zorg en repressie'. Onzin. De medische sector moet gewoon domineren.”

    • Coen van Zwol