Christian Rapp krijgt Maaskant-prijs voor jonge architecten; De kracht van eeuwige wetten

De Duitser Christian Rapp krijgt vrijdag in Rotterdam de Maaskant-prijs voor jonge architecten. “Computers en nieuwe media zorgen voor grote veranderingen, maar dit betekent niet in de architectuur met een schone lei moeten beginnen.”

AMSTERDAM, 5 NOV. Er zijn veel buitenlandse architecten die een Nederlands gebouw op hun naam hebben staan. Maar er zijn er slechts weinig die ook echt in Nederland zijn gaan werken. De Duitser Christian Rapp van het architectenbureau Höhne en Rapp is een van de weinigen. Hij heeft zijn bureau in het Piraeus-gebouw op het KNSM-eiland in Amsterdam, dat hij samen met de eveneens Duitse architect Hans Kollhoff ontwierp. Het is ongetwijfeld een van de mooiste van de 140 verschillende woningtypen die de donkere woongebouw herbergt. Een groot deel van de ruimte onder het gewelfde dak van het bakstenen gebouw heeft een dubbele hoogte en een reusachtig raam biedt een schitterend uitzicht op het water van de voormalige Ertshaven en, in de verte, het oude Amsterdam.

Op 7 november krijgt Rapp in de Burgerzaal van het Rotterdamse stadhuis de Maaskant-prijs voor jonge architecten uitgereikt. Vierendertig is Rapp nu, één jaar onder de leeftijdsgrens die in de architectuur als jong geldt. De jury van de aanmoedigingsprijs looft zijn 'beroepshouding'. Volgens de drie juryleden is Rapp ongevoelig voor architectuurmodes en zoekt hij naar de 'a-historische wetmatigheden' van de architectuur, die hij 'in dienst stelt van een conceptuele gedachtengang'. In deze 'grondige architectuurovertuiging' ziet de jury een mogelijk belangrijke bijdrage aan de Nederlandse architectuur waarin een vrijblijvend eclecticisme de boventoon voert.

Vijf jaar geleden kwam Rapp naar Nederland om van de bouw nabij het Piraeus-woongebouw te kunnen sturen. Sinds de voltooiing van dit gebouw in 1994 heeft hij zijn tijd verdeeld tussen Amsterdam en Berlijn. In de Duitse hoofdstad heeft hij samen met bureaugenoot Stephan Höhne inmiddels een woningblok gerealiseerd. Ook wonnen ze een prijsvraag voor een ziekenhuis. In Nederland werkt het bureau nu onder meer aan patiowoningen op het Amsterdamse schiereiland Borneo Sporenburg, en rijtjeshuizen in Spijkenisse.

“Ik ben nu praktisch alleen nog aan het werk in Nederland”, zegt Rapp op zijn Amsterdamse bureau in verrassend goed Nederlands . “In Berlijn is de bouwmarkt in elkaar gestort. Misschien is dit eigenlijk ook niet zo erg. Van die spagaatstelling tussen Berlijn en Amsterdam en het wekelijkse heen- en weergereis werd ik toch een beetje gaar.

“Maar we zijn nog steeds een bureau met vestigingen in Nederland en Duitsland. Bij het maken van het boek dat bij de Maaskant-prijs hoort, hebben we ons afgevraagd wat nu Duits is en wat Nederlands. We kwamen tot de conclusie dat in Duitsland gevechten eerder worden gevoerd met het mes op tafel; de strijdcultuur is er botter, harder en directer. In Nederland wordt alles met een grotere openheid en tolerantie ontvangen. Maar vervolgens ontstaan er allerlei krachten die achter de schermen tegen je plan werken. Als men in Nederland stil wordt, moet je gaan oppassen.

“De Nederlandse discussie over architectuur zou wel wat meer diepgang kunnen gebruiken. Hoe lang wordt er nu al gepraat over het bouwen van woningen in hoge aantallen per hectare? Maar er is niemand die naar voren treedt en een duidelijke stelling inneemt. Discussies leiden hier niet vaak tot duidelijke resultaten. Het is alsof de bezigheid met het thema 'hoge dichtheid' een doel op zichzelf is geworden. Er wordt, gesubsidieerd door allerlei architectuurfondsen, veel discussie gevoerd. Maar op een of andere manier heeft dit in de praktijk nauwelijks gevolgen. Veel subsidiegeld wordt besteed aan het 'denken'. De ontwerpers hebben echter nauwelijks tijd voor overpeinzingen: ze moeten bij wijze van spreken in twee uur een ontwerp leveren. Dat is jammer: denken en doen zouden niet zo gescheiden moeten zijn.”

Een van de redenen waarom Rapp begin jaren negentig werd betrokken bij het Piraeus-woongebouw was dat hij de Nederlandse architectuurwereld redelijk kende. In de jaren tachtig had Rapp een jaar gewerkt bij het Office for Metropolitan Architecture (OMA) van Rem Koolhaas in Rotterdam. “Mijn behoefte om de toekomstige potenties van de architectuur te verkennen, werd bij OMA bevredigd”, zegt Rapp daarover. “Maar nu zie ik een rampzalige invloed van Koolhaas op jonge architecten. Ze gebruiken de terminologie van Koolhaas en maken ontwerpen met een zeer complexe expressiviteit zonder dat ze in staat zijn die te beheersen. Bij ieder ontwerp gebruiken ze een citaat uit Koolhaas' boek SMLXL en suggereren hiermee een intellectuele diepgang die ze niet hebben. Er is vaak geen touw aan vast te knopen.”

Rapp noemt Hans Kollhoff, de Berlijnse architect met wie hij ook nu nog samenwerkt bij projecten in Breda en Rotterdam, 'een soort tegenpool van Koolhaas'. “Koolhaas probeert met een soort supermodernisme de mogelijkheden van de toekomst te lijf te gaan, Kollhoff is een architect die traditie en geschiedenis gebruikt. Kollhoff heeft een veel minder spectaculair verhaal: kijk naar de oude gebouwen met hun ingang in het midden, zegt hij, en zoiets klinkt niet opzienbarend. Toch voel ik me meer tot de laatste positie aangetrokken. Natuurlijk zijn er mede door de nieuwe media en computers grote veranderingen gaande. Maar ze betekenen niet dat we met een volstrekt schone lei in de architectuur moeten beginnen. Architectuur heeft nog altijd te maken met het overwinnen van de zwaartekracht, met de scheiding tussen interieur en exterieur, met beschutting en gevels in ruime zin. Allemaal thema's die al heel lang bestaan in de architectuur en altijd een rol blijven spelen. Je kunt in de architectuurgeschiedenis aanknopingspunten vinden voor antwoorden op eigentijdse vragen. Ik probeer op basis van de traditie een repertoire te ontwikkelen dat geschikt is om toekomstige veranderingen in zich op te nemen.”

Rapp streeft ook naar een ouderwets soort bouwmeesterschap: “Vaak wordt de vraag gesteld of een architect nog wel in staat is om een bouwmeester te zijn. Kan iemand nog wel alle deeldisciplines beheersen waarmee een architect heeft te maken, zoals economie, sociologie en techniek? Ik vind dat de rol van architect niet moet worden gereduceerd tot die van een soort esthetisch adviseur. In die zin ben ik misschien wel een beetje reactionair. In geen van de deeldisciplines ben je als architect expert, maar je moet hun basislogica doorgronden en ze een plaats geven in een zinnig, consistent ontwerp. Voor elk gebouw moet je op grond van alle gegevens, zoals het programma van eisen en de ligging, een idee, een leidraad voor het ontwerp formuleren. Die vormt het concept, de toetsteen voor de verdere uitwerkingen.

“Zo'n concept is heel specifiek en niet herhaalbaar. Zo is de sculpturale vorm van het Piraeus-gebouw met zijn welvende dak en zijn donkere stenen het gevolg van heel eigen gegevens. De vorm is voortgekomen uit onder meer de stedebouwkundige eis tot een groot woonblok en het feit dat het zowel van verre als van dichtbij ervaarbaar moest zijn. Ook moest het aansluiten op een oud, laag gebouw. Hier, op deze plek, is het gebouw daarom precies op zijn plaats. Maar het is onzin dat je nu in de Nederlandse architectuur soortgelijke vormen en materialen ziet opduiken. Het gaat helemaal niet om een schuin daklijntje of een donker baksteentje. Ik betreur het dan ook dat dit gebouw heeft geleid tot een architectuurmode.”