Biënnale in belegerde stad

Laat op de avond na een korte wandeling... : Give me hope, Johanna. VPRO, Ned.3, 23.22-0.14u.

Het nieuwe Zuid-Afrika gaat uitdagingen niet uit de weg. Op 12 oktober werd in Johannesburg de tweede Biënnale geopend door de zwarte burgemeester Isaac Mogase.

Zo'n 160 kunstenaars, onder wie 35 Zuid-Afrikanen, exposeren in een stedelijke jungle van leegstaande, gekraakte wolkenkrabbers, in mean streets waar het recht van de sterkste geldt. Het hart van Jo'burg, ooit het exclusieve jachtdomein van blanken met witte boorden, is ontruimd door de haves en beleeft een invasie van have-nots. In deze straten voltrekt zich een sociale omwenteling, die gepaard gaat met geweld, veel geweld. Zoals Stephen Hobbs, een van de Zuidafrikaanse kunstenaars, het uitdrukt: “Als je in dit deel van de stad iemand kwaad maakt, heb je voor je het weet een kogel in je hoofd”. Drie programmamakers van de VPRO lieten zich door kunstenaars rondleiden in deze stedelijke wildernis en onderzochten het verband tussen wat de biënnale laat zien en de omgeving van de expositie.

De curator van de biënnale, Okwui Enwezor, meent dat de tijd rijp is voor ambitieuze ondernemingen als deze: “Johannesburg is trots op dit project. Zuid-Afrika is vol zelfvertrouwen en dat nieuwe levensgevoel verdient een culturele uitdrukking”. De kunstenaars putten inspiratie uit het stedelijke inferno om hen heen. Kendell Geers: “Dat je hier elk moment kunt sneven door een verdwaalde kogel stimuleert de creativiteit; uit angst en paranoia put een scheppend kunstenaar positieve energie”.

Theatermaker William Kentridge lacht om de blanke paranoia: “Ik heb hier heel mijn leven gewoond, Johannesburg is neutraal terrein, andere steden doen me niets. Deze staat van beleg, dit verval komt me voor als een volkomen natuurlijke toestand”. Hij geeft een treffende karakterschets: “Jo'burg is bruut en lelijk. Het is niet gebouwd om zijn aantrekkelijke ligging, maar vanwege het goud onder de grond. De reden om hier te wonen ligt verborgen onder de oppervlakte, is onzichtbaar”.

Hobbs is gefascineerd door de demografische revolutie in de binnenstad: “De blanken trekken weg naar de voorsteden, waar ze zich veiliger voelen, en zij hebben het geld. Er ontstaat hier razendsnel een nieuwe gemeenschap met nieuwe economische structuren”. De straten tussen de kantoortorens worden bevolkt door vrouwen met ambulante handel, ritselaars en zwervers. Op straathoeken staan pantserwagens om het winkelende publiek een gevoel van veiligheid te geven. De voormalige bewoners van het centrum sluiten zich aan de rand van de stad op in een benauwde veste van zwaar vergrendelde villa's met blaffende honden en de nieuwste snufjes op het gebied van elektronische beveiliging.

Muhammed Mayet, lid van de Association of Black Architects, laat de stad op zijn manier zien en tekent de blauwdruk voor een multiraciale samenleving. Onder de Group Area Act, een van de hoekstenen van de apartheid, kwamen zwarten en kleurlingen alleen naar de stad om te werken; wonen mochten ze er niet. Nu trekken ze de stad in om er te blijven.

Kendell Geers exposeert het project 'Memento mori', waarin hij zeventiende eeuwse Hollandse schilderkunst op een suggestieve manier verbindt met beelden van stedelijk geweld. Geers: “De zogenaamde Gouden Eeuw werd mogelijk gemaakt door de bruutheid van de Van Riebeeks en hun VOC. Ik laat zien wat de Hollanders hebben aangericht in Afrika”.

Kay Hassan, ten slotte, legt uit waarom Johannesburg met de biënnale een juiste keus heeft gemaakt: “Het helpt de wonden helen. Kunst is medicijn”.

    • Dirk Vlasblom