Studiebeurzen

RUIM TIEN JAAR GELEDEN kreeg Nederland een nagenoeg geheel geïndividualiseerd beurzenstelsel voor studenten. Het inkomen van de ouders, decennia lang een criterium voor aard en omvang van de beurs, deed er ineens niet meer toe. Het resultaat is bekend. Zo ongeveer om het half jaar was het hommeles.

Soms lag het aan de chaos bij de Informatiebeheergroep, altijd was er periodiek oproer over de OV-jaarkaart en op gezette tijden kwamen de nieuwe tempostudenten in actie. Een speciaal College Toekomst Studiefinanciering onder leiding van de Friese commissaris van de koningin en voormalig parlementariër L. Hermans heeft gisteren de knuppel in het hoenderhok gegooid.

De prestatiebeurs, die zo hoorde bij de geest van de jaren tachtig en negentig, moet op de helling. Het systeem heeft de studenten volgens het college dermate in het nauw gebracht dat ze niet meer hun eigen keuzes durven maken. Integendeel, ze worden door twijfel achtervolgd, moeten hard bij-verdienen en zijn er op uit om onoverzichtelijke risico's in hun studie te mijden. Dat is een gevaarlijke tendens, aldus het college-Hermans. Want een hoog opgeleide bevolking is een 'collectief belang'. Als het aan hem ligt, krijgen studenten voortaan een flexibele beurs die ze kunnen aanwenden als ze zichzelf rijp achten voor een studie. Nu wordt een jaartje werken of reizen gestraft.

De keerzijde van de medaille is eveneens ingrijpend. Tot hun 21ste verjaardag moeten de ouders volgens Hermans meebetalen aan de opleiding van hun kinderen. Er wordt een bedrag genoemd van 6.500 gulden per jaar. En voor het middelbaar beroepsonderwijs wordt het beurzenstelsel afgeschaft, het schoolgeld tot nul gereduceerd en de kinderbijslag in ere hersteld. Kennelijk hoopt Hermans zo de betrokkenheid van de ouders te stimuleren. De vraag rijst of met name het beroepsonderwijs, dat schandalig lang als veredelde parkeerplaats is behandeld, niet veel meer impulsen nodig heeft voordat het weer is wat het behoort te zijn - een volwaardige en eervolle opleiding voor gerespecteerde ambachtslieden in spe.

DE PLANNEN VAN HERMANS gaan over de betekenis van het onderwijs in de bredere zin van het woord. Alleen dat moet al worden toegejuicht. Want als goed onderwijs een algemeen belang is, moet juist de overheid de studiefinanciering benaderen als een investering en niet meer vooral als een bezuinigingsproject.

Gelet op het verleden, moet worden gevreesd dat het befaamde hondje van Pavlov weer veelvuldig zal kwispelen en de discussie zich zal toespitsen op de inkomenspositie van de universitaire studenten en hun relatie tot hun ouders. Dat zou onrecht doen aan Hermans. Want zijn commissie heeft een belangrijkere vraag aan de orde gesteld. Hoe kunnen álle onderwijsvormen, van ambachtschool tot alma mater, weer het volle pond krijgen. Een nieuw beurzenstelsel is daarbij middel, geen doel op zichzelf.