Rapportcijfer

In zijn bijdrage op de opiniepagina van NRC Handelsblad van 1 november over het rapportcijfer voor scholen in Trouw geeft dr. Leo Prick mijn berekeningswijze krakkemikkig weer.

In tegenstelling tot zijn suggestie gebruik ik niet drie kenmerken, maar 21 kenmerken: slagingspercentage, eindexamencijfers Nederlands, Engels en wiskunde A en zittenblijf- en uitstroompercentages voor alle klassen (behalve de brugklas en de examenklas). Diegenen die echt in de berekening geïnteresseerd zijn, kunnen die schriftelijk bij mij aanvragen. Ik heb dus alle gegevens van de inspectie gebruikt die geschikt waren voor de meting van het totale rendement van een school. Daarom heeft Prick ongelijk met zijn conclusie dat scholen die streng selecteren van mij een hoog rapportcijfer krijgen. Integendeel, strenge selectie, die zich uit in hoge uitstroompercentages, verlaagt mijn rapportcijfer, evenals lage eindexamencijfers en slagingspercentages of hoge zittenblijfpercentages. Ik zet de wereld niet op zijn kop, zoals Prick ten onrechte beweert.

Dat rapportcijfer heb ik vervolgens gecorrigeerd voor de sociale achtergrond van de leerlingen van een school. Omdat noch inspectie noch ministerie daarvoor bruikbare gegevens had, heb ik het percentage allochtone leerlingen gebruikt, dat de scholen zelf opgegeven hebben om extra financiële faciliteiten te krijgen. Uit onderzoek gebaseerd op schoolloopbaancohorten is bekend dat het percentage allochtone leerlingen op een school een goede (maar uiteraard geen perfecte) indicator is van het percentage leerlingen met laaggeschoolde ouders op diezelfde school. Dat is zelfs waar voor de Havo- en VWO-afdelingen van scholen, ook als de meeste allochtone leerlingen op de Mavo- en VBO-afdelingen zitten. Dit is een gevolg van het mijden van scholen met veel leerlingen van laaggeschoolde (en dus meestal allochtone) ouders door leerlingen met hooggeschoolde ouders. Daarom is mijn correctie wel verantwoord, te meer daar de correctie per schooltype is uitgevoerd. Uiteraard is deze eerste berekening van de toegevoegde waarde van scholen voor vele verbeteringen vatbaar, maar de persoonlijke aantijgingen van dr. Prick dragen aan die verbeteringen niet bij.

    • Universiteit van Amsterdam
    • J. Dronkers