Kiesrecht mag niemand worden afgepakt

Het D66 Kamerlid De Graaf hield onlangs een pleidooi om mensen die zich regelmatig schuldig maken aan rassendiscriminatie het kiesrecht te ontnemen. Erik Jurgens twijfelt er niet aan dat dit pleidooi is ingegeven door oprechte bezorgdheid voor de kwaliteit van de democratie. Maar de democratie loopt juist gevaar wanneer de burger zijn grondwettelijke rechten worden ontnomen.

In een gesprek met deze krant (NRC Handelsblad, 30 oktober) kondigt D66-Kamerlid Thom de Graaf een initiatiefwetsvoorstel aan van zijn hand. Hij wil de rechter mensen die zich schuldig maken aan stelselmatige rassendiscriminatie het actief en passief kiesrecht tijdelijk laten ontnemen. Vorige week kwam daarbij nog het bericht dat de minister van Justitie overweegt om bij de rechter het verbod van de partij CP'86 te vorderen. Dit naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 30 september waarin bestuursleden van deze partij werden veroordeeld wegens deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het beledigen van volksgroepen en het aanzetten tot haat of discriminatie.

In 1938 is er een voorstel gedaan tot grondwetswijziging - gericht tegen nationaal-socialisten en communisten - om zogeheten revolutionaire volksvertegenwoordigers ('die een streven tot uitdrukking brengen, gericht op verandering van de bestaande rechtsorde met toepassing van onwettige middelen') het Kamerlidmaatschap te kunnen ontnemen. Dit voorstel haalde de benodigde tweederde meerderheid niet wegens verzet omwille van principiële motieven van sociaal-democraten en vrijzinnig-democraten. Thans komt voor de zoveelste maal de vraag aan de orde of het wijs beleid is om aan burgers wezenlijke burgerrechten (waartoe behoren het actief en passief kiesrecht, het recht om een partij te vormen en om in dat verband te vergaderen, het recht om zijn mening te uiten en daarvoor een demonstratie te houden) te ontnemen omdat zij zich schuldig maken aan ernstige strafbare feiten.

Degenen die hiervan voorstander zijn doen dat uit oprechte bezorgdheid voor de kwaliteit van de democratie en uit een behoefte hen te beschermen die het voorwerp zijn van de 'haatspraak' van lieden als die van CP'86. Die bezorgdheid deel ik geheel.

Toch acht ik het middel dat zij willen gebruiken op zichzelf weer een gevaar voor die democratische rechtsorde. In een democratie zijn immers alle burgers gelijk, ook degenen die er naar de opvatting van een grote meerderheid verderfelijke en zelfs weerzinwekkende opvattingen op na houden. Het hele idee van de democratie is dat ook zij de kans krijgen hun opvattingen uit te dragen, zij het binnen de grenzen van het strafrecht. Overtreden zij die grenzen, dan verdienen zij - als bewezen is dat zij een bepaald delict hebben gepleegd - achteraf straf.

Maar hun burgerrechten ontnemen gaat veel verder. Dan snoeren wij hun eenvoudig bij voorbaat de mond met gebruik van machtsmiddelen. Wij sluiten hen buiten het openbare debat. Terwijl democratie er van uit gaat dat een ieder kan deelnemen aan dat debat, en dat de kiezers uitmaken wie gelijk krijgt. Daarom verwerpen wij ook elke censuur op de pers. Een ieder is vrij om zijn mening te uiten, en is daarvoor moreel - maar ook straf- en civielrechtelijk - verantwoordelijk. Pas achteraf kan iemand wegens specifiek strafbaar gestelde of civiele onrechtmatige uitlatingen daarvan de gevolgen ondervinden.

Waarom stellen wij deze scherpe grens? Omdat, zoals de vermaarde rechtsfilosoof Ronald Dworkin ons voorhoudt, het van essentiële betekenis is voor de democratie dat alle stemmen kunnen worden gehoord, ook die van mensen met marginale, achterlijke, onzinnige en zelfs misdadige opvattingen. Zij moeten nooit kunnen zeggen dat hun de mond is gesnoerd. Met hen moet bij voorkeur langs politieke weg worden afgerekend, doordat de kiezers hen massaal afwijzen.

Wij moeten oppassen om een partij te verbieden, en om aan mensen het recht te ontnemen om te kiezen of gekozen te worden. Ten eerste omdat we daarmee - zoals Dworkin zegt - te ver stroomopwaarts een dam aanleggen, bij de deelneming aan het openbare debat over een meningsuiting in plaats van bij het eventueel voegen van de daad bij het woord. En ten tweede omdat wij daarmee aan de kiezers de kans ontnemen om op een partij of op bepaalde mensen te stemmen - dan wel om die partij en die mensen krachtig af te wijzen.

Daarmee kom ik te staan tegenover Thom de Graaf, met wiens opvattingen ter bevordering van de democratie (zoals invoering van het referendum en de kiezers te laten meebeslissen over wie kabinetsformateur wordt) ik het overigens van harte eens pleeg te zijn. Ik zou hem om bovengenoemde redenen willen afraden om met een initiatiefvoorstel te komen om het actief en passief kiesrecht aan hen te ontnemen die zich aan racistische uitingen schuldig maken. Ik erken dat hij voorzichtig is door de ontneming tijdelijk te laten zijn, en doordat hij eist dat de betrokkene stelselmatig het delict pleegt. Maar ik zou vinden dat ontneming van burgerrechten vanwege een uitingsdelict uit democratisch standpunt een verkeerde sanctie is.

Artikel 54 van de Grondwet sluit van het kiesrecht uit “hij die wegens het begaan van een daartoe bij de wet aangewezen delict bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van tenminste een jaar en hierbij tevens is ontzet uit het kiesrecht”. Met name aanslagen tegen de veiligheid van de staat (artikelen 92-103 Wetboek van Strafrecht) zijn in artikel 106 Wetboek van Strafrecht aangewezen als misdrijven waarvoor ontzetting uit het kiesrecht als bijkomende straf kan worden opgelegd. Zij hebben hoge maximumstraffen, zodat het al gauw voor de rechter mogelijk is tevens de bijkomende straf van ontzetting uit het kiesrecht uit te spreken. De artikelen 137c en 137d (belediging van of aanzetten van discriminatie tegen een bevolkingsgroep) kennen een maximumstraf van een jaar.

Als deze misdrijven dus bij de wet worden aangewezen als grond voor ontzetting, dan kan deze bijkomende straf worden gegeven als tevens de maximum gevangenisstraf wordt opgelegd. Een verhoging van de maximumstraf tot twee jaar voor het stelselmatig plegen van dit delict - zoals De Graaf voorstelt - is daarom niet nodig.

Bij de misdrijven tegen de veiligheid van de staat is een logisch verband te zien met ontzetting uit het kiesrecht. Bij delicten in de sfeer van de vrijheid van meningsuiting, zoals artikelen 137c en 137d, is dat verband ver te zoeken. Toch kan de wetgever er toe besluiten, zoals de wetgever ook partijverbod mogelijk heeft gemaakt. Is het echter uit een oogpunt van democratisch beleid een wijze beslissing? Ik betwijfel dat.