Ingewanden

Zelf koop ik alle boeken van Harry Mulisch zonder aarzeling op de dag van verschijnen en ik ben een tevreden klant, maar de gevoelens van de 'bestrijd het leed dat Mulisch heet'-brigade zijn me niet geheel vreemd. Er lag een boekje in de etalage, niet van maar over Mulisch, en op de kaft zag je Jezus op het Laatste Avondmaal, maar dan met het gezicht van Mulisch.

Het is een satirisch boekje, maar niettemin, het is toch een hele eer voor Jezus dat hij na 2000 jaar nog met Mulisch vergeleken wordt. Je zou het een vorm van synergie kunnen noemen, waarin de beroemdheden zich voeden aan elkaars roem. Niet iedereen houdt van deze synergie, waarin Mulisch altijd heeft uitgemunt.

Jan Timman moest een paar weken geleden een toespraakje houden over het boek De Verteller en zoals ik vroeger wanneer hij een belangrijke schaakmatch moest spelen van tevoren wat partijen van zijn tegenstander naspeelde om te zien voor welke taak Timman stond, zo bladerde ik in De Verteller en ik begreep dat het een zware strijd zou worden en dat alleen een begaafd puzzelaar iets verstandigs over dat boek zou kunnen zeggen.

Maar daar gaat het nu niet om. In dat boek komt een radiotoespraak voor waarin de spreker uitlegt dat een mens geen ingewanden heeft. Het menselijk lichaam is leeg, er is zelfs geen lucht daarbinnen, er is alleen het Niets. Maar als een mens op de operatietafel ligt en er wordt in hem gesneden, of hij krijgt een ongeluk in het verkeer en zijn darmen liggen op de grond, dan zien we toch duidelijk dat het lichaam wel degelijk ingewanden heeft? Het zou verkeerd zijn om op grond van deze uitzonderlijke gevallen algemene conclusies te trekken. Slechts weinige van zijn toehoorders zullen tijdens de uitzending op de operatietafel of op de verkeersweg liggen, merkt de radiospreker terecht op. Maar belangrijker, het zijn geen ingewanden die je bij deze slachtoffers ziet, het zijn uitgewanden, buiten het lichaam. Ingewanden heeft nog nooit iemand gezien en ze bestaan ook niet. Alleen als het lichaam geschonden wordt, dan stolt het Niets dat in het lichaam was in de buitenwereld tot iets dat er daarvoor niet was, de uitgewanden van de mens.

Het wordt niet meegedeeld in De Verteller, maar deze radiospreker moet de metableticus J.H. van den Berg zijn, want de redenering die hier geparodieerd wordt komt voor in diens boek Het menselijk lichaam, deel 1. Een levend mens heeft geen hersenen, geen ruggegraat, geen lever. Het opengesneden lijk heeft ze wel, maar dat is geen mens.

De radiospreker krijgt van Mulisch een bespottelijk pseudo-wetenschappelijk taalgebruik toebedeeld dat Van den Berg in het echt helemaal niet heeft, maar dat kan niet verbergen dat de parodie op Van den Berg veel gemeen heeft met de echte Mulisch. Het zou niemand verbazen als hij die redenering over ingewanden en uitgewanden in een serieuze beschouwing van Mulisch zelf zou tegenkomen. Het voelt en het ruikt als een typisch Mulischiaanse redenering.

Opdracht voor ambitieuze studenten Nederlands: ga de invloed na van de metabletica op het werk van Mulisch en beschrijf het filosofische levenswerk van Mulisch De compositie van de wereld als een parodie op het oeuvre van J.H. van den Berg.

Dan zal de vraag aan de orde komen: menen ze wat ze schrijven? Bij Van den Berg is het duidelijk: hij meent alles. Bij Mulisch is op de vraag geen antwoord mogelijk.

Een tijdje geleden gingen wenkbrauwen omhoog toen Mulisch in een interview sprak over de reactie van de werkelijkheid op zijn eigen geestesleven. Als het kraakte in zijn brein, dan vonden tegelijkertijd in de buitenwereld ook allerlei krakende gebeurtenissen plaats, daar kwam het op neer. Hier schmiert de oude meester, dacht ik. Dit meent hij niet. Hij kijkt hoe ver hij gaan kan en hij weet uit ervaring dat het heel ver is.

Maar dat geldt voor meer. Ik heb het natuurlijk niet over de romans en de verhalen maar over een boek als De compositie van de wereld. Kan dat echt gemeend zijn? Moeilijk voorstelbaar. Maar het is duidelijk dat 'schmieren' hier toch niet het juiste woord is. Zes jaar werk, honderden dikke boeken lezen over logica, genetica en de oerknal, voor een boek waarvan je weet dat bijna niemand het zal kunnen lezen, dat kan je geen schmieren meer noemen. Toch denk ik dat er voor Mulisch geen wezenlijk verschil bestaat tussen die compositie van de wereld en de theorie over ingewanden en uitgewanden waarmee hij de gek stak.

Dat de bewondering voor Mulisch vaak met argwaan gemengd is, komt doordat we ons eigenlijk niet voor kunnen stellen dat iemand als hij werkelijk kan bestaan. Een lezer die Hermans laten we zeggen een jaar of twintig volgde, had het gevoel dat hij ongeveer wist wat Hermans dacht. Het geldt ook voor Reve, die veel dingen gezegd en geschreven heeft die hij niet werkelijk meende, maar dan toch op een manier die ons iets leek te leren over wat hij wel meende. Komrij mag het motto voeren 'alles onecht', maar dat geeft zijn bewonderaars nog niet het idee dat zijn meningen willekeurig zijn en dat hij werkelijk een muntje opgooit om te bepalen of een verschijnsel zijn afkeer of zijn bewondering verdient. Bij de meeste schrijvers heb je ondanks alle maskerades een beeld: zo zijn ze, we kennen ze door hun werk. Of dat beeld juist is, dat doet er niet toe.

Hoe Mulisch in elkaar zit blijft een raadsel voor zijn lezers. Zijn publieke uitlatingen zijn natuurlijk wel een beetje te voorspellen, maar hoe hier de verhouding is tussen de maskerade en het innerlijk leven, geen idee. Het komt me vaak voor alsof hij een muntje opgooit.

Als je kwaadwillig bent zou je kunnen vermoeden dat voor Mulisch inderdaad geldt dat hij geen ingewanden heeft maar alleen uitgewanden, en als je het wat rechtvaardiger uitdrukt zou je kunnen zeggen dat hij iemand is die misschien niet echt kan bestaan, maar zichzelf wel iedere dag verzint, een bewonderenswaardige prestatie waar wij allen plezier aan beleven.