Haanstra in spionage

In zijn eerste leven als persfotograaf maakte Bert Haanstra in het voorjaar van 1945 geschiedenis met naoorlogse foto's van de bezetting. Door de datering was het voor discussie vatbaar of het wel foto's van de bezetting waren en hij waardeerde ze zelf ook niet als zijn beste, maar ze vormden zonder twijfel de meest dramatische afbeeldingen die hij ooit had gemaakt.

Goed beschouwd waren het foto's van de bevrijding, maar het bevrijdingsfeest dat de latere cineast op 7 mei 1945 op de Dam in Amsterdam fotografeerde, veranderde in een heksenketel, toen Duitse soldaten die zich nog niet hadden overgegeven in het wilde weg met mitrailleurs uit het gebouw van de 'Groote Club' op de feestende menigte begonnen te schieten. In de paniek die daarna uitbrak, stoven duizenden mensen naar alle kanten uiteen, om dekking te zoeken achter alles wat daarvoor in aanmerking kwam: portiek, kiosk, vrachtauto, handkar, pierement. Sommigen kropen zelfs weg achter kinderwagens en hele rijen achter lantaarnpalen.

Tot de enkele toeschouwers die hun doodsschrik de baas bleven, behoorden de vijftien persfotografen (onder wie Carel Blazer, Cas Oorthuys, Kryn Taconis, Margreet Meiboom en Frits Lemaire) die naar de Dam waren gekomen om de feestelijkheden vast te leggen. Liggend op zijn buik fotografeerde Bert Haanstra met zijn Leica de paniek die om hem heen uitbrak: de meeste omstanders liggen met weggedoken hoofden plat op de grond, op de hoek van de Dam en het Rokin, sommigen kruipen nog op zoek naar beschutting, fietsen liggen her en der verspreid. Heel de opname zweet de angst voor het gevaar uit. De foto van dat moment - een van de meest adembenemende illustraties van het hele incident - is afgedrukt in het fotoboekje De Dam 7 mei 1945 van Flip Bool en Veronica Hekking (uitgeverij Focus, Amsterdam 1992).

Tijdens de oorlog leidde Bert Haanstra een clandestien bestaan als spionagefotograaf. De betrekking die hij op de lichtdrukkamer van het GEB-kantoor in de Tesselschadestraat 2 had, bood hem bescherming tegen de Arbeitseinsatz, maar was ook een dekmantel voor het werk dat hij voor de illegaliteit deed. De gehele oorlog runde hij in de kelder van dat gebouw (waar veel ambtenaren werkten die met de illegaliteit verbonden waren) een illegale donkere kamer. Haanstra ontwikkelde daar voor de Geallieerden onder andere microfilms, die werden gebruikt bij het bombarderen van industriële installaties.

Over zijn illegale werk sprak Bert Haanstra later zelden. Enkele jaren geleden vroeg ik hem ernaar, maar het was geen onderwerp waar hij warm voor liep. Hij wuifde het weg, beriep zich op zijn slechte geheugen en vond dat anderen veel belangrijker werk hadden gedaan. Ook Hekking en Bool, dezelfde auteurs als van de foto-documentatie over de beschieting op de Dam, kregen voor hun boek De illegale camera 1940-1945 (Naarden 1995) slechts spaarzame inlichtingen over zijn ondergrondse werk los. Hij had in de laatste anderhalf jaar van de oorlog ongeveer 1000 documenten op Leica-film vastgelegd en kaarten van strategische doelen vervaardigd. Hekking en Bool ontfutselden hem één geheim, waarin hij mede de hand had gehad. Haanstra had een kaart van zijn geboortestreek in Overijssel gereproduceerd, die later gebruikt was bij een geallieerd bombardement op een fabriek in Goor, het dorp waar hij vandaan kwam.

Voor de Nederlandse illegaliteit maakte Haanstra uitvergrotingen van stempels, waarmee stempelmakers perfecte vervalsingen konden maken. Met zijn techniek en kostbare apparatuur (hij was een van de weinige fotografen die in het laatste oorlogsjaar over elektriciteit beschikten) bewees Bert Haanstra vooral de Persoonsbewijzencentrale onschatbare diensten. De PBC, die door de beeldhouwer Gerrit Jan van der Veen was opgericht, was een illegale drukkerij van persoonsbewijzen, Ausweise en distributiebonkaarten, waarmee duizenden illegalen en 'klanten' van de illegaliteit werden geholpen. Sinds Van der Veen was gearresteerd was de organisatie gedecentraliseerd: elke groep werkte met 'eigen' drukkerijen, ten dele buiten Amsterdam, met eigen tekenaars, clichémakers, stempelmakers en fotografen.

Haanstra trad in augustus 1944 tot de vervalsingsdienst toe en werkte tot de bevrijding als vaste fotograaf in Amsterdam. Zijn werk was dermate riskant, dat slechts één contactpersoon van zijn bestaan op de hoogte was. Dat maakte zijn clandestiene fotografie ook na de oorlog zo ongeveer tot het best bewaarde geheim van de voormalige illegaliteit. Behoudens bij Hekking en Bool is in de literatuur over het verzet vrijwel niets over Bert Haanstra te vinden, ook niet bij dr. L. de Jong.

Eén geheim uit de illegaliteit heeft Haanstra zelfs met zich in zijn graf meegenomen: hij had een relatie met een Duitse officier van de Luftwaffe die in 1944 naar het Nederlandse verzet overliep. De Duitser was via de Amsterdamse fotohandel Capi Lux op de hoek van de Bosboom Toussaintstraat en de Nassaukade bij de PBC terechtgekomen. Het eerste filmrolletje dat hij daar kocht had hij een week later teruggebracht met de klacht dat het niet deugde. Hij kreeg een nieuwe film, maar telkens keerde hij terug met hetzelfde verhaal en een 'ondeugdelijk' gebleken film. Aanvankelijk begreep men er niets van, maar na enige tijd kreeg men door dat er geen toeval in het spel was. Als Haanstra de films vervolgens in het GEB-gebouw ontwikkelde bleken ze allerminst ondeugdelijk. Ze bevatten strategische informatie die voor de Nederlandse ondergrondse van de grootste betekenis was.

Later heeft de PBC de Duitser in de kost genomen, door hem te laten onderduiken in een antiekwinkel op de Bloemgracht. Maar Haanstra heeft nooit zijn naam gekend, zomin als de PBC zijn motieven kende om het Nederlandse verzet te helpen. Na de oorlog is hij in het niets verdwenen.

    • Harry van Wijnen