Abeveen

Toen ik vrijdagavond bij het Abe Lenstra Stadion arriveerde, wist ik al dat die avond voor mij niet stuk zou kunnen. De duisternis was gevallen, maar de sierlijke, lichtblauwe letters 'Abe Lenstra Stadion' zorgden op slag voor een sfeer die het hart kietelde en die ruimschoots de illusie versterkte dat hier iets bijzonders aan de hand was. Misschien dat mensen die Abe nooit hebben zien spelen en hem hoogstens voor hun geest kunnen halen als een oudere man in een rolstoel, daar minder gevoelig voor zijn.

Je moet hem waarschijnlijk gekend hebben om na zoveel jaren nog geroerd te worden door de man uit “Abeveen”, die in zijn beste momenten tovermacht over de bal had. Die dermate Fries was dat het niet heviger kon. Dermate apart en exclusief, dat hij zijns gelijke in dit land niet had. En die desondanks - maar dat is misschien niet het juiste woord - omstreden was, omdat men zijn ingevingen, of juist het uitblijven daarvan, lang niet altijd kon volgen.

In de pronkkamer in het stadion in Heerenveen vroeg men “of Abe lui was”. Ik heb bevestigend geantwoord omdat Abe de indruk van een zekere gemakzuchtigheid niet altijd heeft kunnen voorkomen. Maar wie weet was het eigenlijk geen luiheid in de normale zin van het woord. Hij liep nooit op ballen die hij toch niet had kunnen halen, omdat hij daar de zin niet van inzag. Zijn kijk op het spel was zo voortreffelijk dat hij sneller dan anderen in de gaten had of het loonde in actie te komen.

In het genre voetbal dat Heerenveen en PSV in de herfst van 1997 op de grasmat legden zou hij - vrees ik - niet gepast hebben. Het was immers een stortvloed van acties, boordevol inzet, boeiend om te zien. Maar het was geen krachtmeting waarin men pauzes kon inlassen, een poosje uitblazen en vervolgens de mouwen weer opstropen. Ook in zijn tijd werd hij al omringd door helpers met de longen van een paard en de ballonspieren van doortrainde karaktertypes. Maar het tempo lag lager en er was ruimte voor de bedachtzame denker die met zijn zwarte kuif naar de grond gebogen quasi-doelloos wat rondkuierde, maar die dan plotseling de geest vaardig voelde worden voor een majestueuze actie. Hij was niet gemakkelijk en wilde niet in een keurslijf worden geperst. Linksbuiten? Helemaal niet! Meeverdedigen? Zeker wel, maar op de manier en het moment waarop ik me daar klaar voor voel.

In de kampioenswedstrijd Heerenveen-Ajax, toen Friesland alles van hem verwachtte, was hij tweederde van de 90 minuten onzichtbaar en kwam Ajax met 5-1 voor. Maar toen werd de geest in een ogenblik van 'genade' (Godfried Bomans schreef dat) vaardig over Lenstra. En in zijn formidabele slipstream volgde het hele elftal. Heerenveen won met 6-5 en Ajax begreep er niets van. Maar het klopte allemaal als een bus. Een genie hoort onbegrepen te zijn. Hij manifesteerde zich op een ander niveau dan gewone stervelingen.

Er doen nog steeds veel verhalen de ronde over Abe. Eén van de mooiste speelde toen Heerenveen en het Groninger Be Quick een beslissende ontmoeting speelden om het Kampioenschap van het Noorden. Toen het Friese elftal zich verzamelde, ontbrak Lenstra. Hij was ziek, zoals zijn moeder had verklaard. Maar zonder hun ster tegen de Groningers voetballen was iets, dat Heerenveen niet aanstond. Men ging Abe ophalen. Hij lag in bed. Ongeschoren en ziek. Men hielp de protesterende voetballer uit bed en in de kleren (“Jongens, jullie hebben vandaag niks aan mij”), tufte naar Groningen, had inderdaad niks aan hem in de eerste helft, maar na rust maakte hij twee goals, zuchtend en steunend. Heerenveen won met 3-0. Abe, het raadsel.

Intussen vind ik het prachtig dat dat stadion er staat, bij elke thuiswedstrijd uitverkocht is en de herinnering aan de unieke voetballer Abe Lenstra levend houdt. Het is mooi, het is functioneel, het getuigt van goede smaak en zowel van begrip voor een roemrijk verleden als van vertrouwen in de toekomst. Ik ben er te lang vandaan gebleven onder de laffe smoes dat Heerenveen zo hoog in het noorden ligt. Wat zijn tijd en een beetje moeite voor fletse argumenten als je de kans hebt om er vaker te komen. Het laatste heb ik mij voorgenomen.

    • Herman Kuiphof