Wedekinds Lulu lacht als haar mannen sterven

Voorstelling: Lulu van Frank Wedekind door Het Nationale Toneel. Regie: Johan Doesburg. Vert.: Marcel Otten. Decor: André Joosten. Spel: Angelique de Bruijne, Peter van der Linden, Jack Wouterse, Elsje de Wijn e.v.a. Gezien: 31/10, De Regentes, Den Haag. Aldaar t/m 11/12. Aanv. 19u30. Res. (070) 361 51 11.

Een echte grande horizontale is de figuur Lulu, naamgeefster van Frank Wedekinds tragedie, niet. Ze is er te naïef voor en te weinig berekenend. Op geld, macht en status is ze niet uit en waarschijnlijk zelfs niet eens op bevrediging van haar hitsigheid. Dit onmiskenbare produkt van het fin de siècle is er gewoon - en ze kan niet anders dan zijn wie ze is. Geen femme fatale maar een enfant sauvage, spontaan, ongrijpbaar, onvoorspelbaar, gehoorzamend aan de wetten van haar natuur. De grote uitdaging voor de actrice die haar speelt, bestaat uit een paradox: ze moet een grenzeloos personage spelen en een raadsel inzichtelijk maken dat nadrukkelijk een raadsel blijven moet.

Vandaar, ongetwijfeld, de wijdlopigheid van Wedekinds tekst, die onstuimige storm rondom een vacuüm. Het zijn de talloze andere figuren in het stuk die Lulu haar contouren moeten geven, ze bestaat voor een belangrijk deel bij de gratie van hun fantasmen en reacties. Lulu is hun waardevrije en normloze mikpunt, ze lacht als ze gebruik maken van haar lichaam, ze lacht als ze even later dood neervallen. Maar liederlijk is ze niet, ze is puur en parelblank.

Angelique de Bruijne speelt haar, bij Het Nationale Toneel, in de regie van Johan Doesburg. In de eerste moeizame scènes is ze te veel een mevrouw, een demonstratief onconventioneel model voor de schilder Schwarz (Jack Wouterse) - zonder dierlijkheid. Ik moet wennen aan haar schelle stem, en haar kostuum, een weliswaar doorzichtig gewaad, is zo te zien van akelig stijf en hard materiaal.

Later, als De Bruijne haar frêle naaktheid kan tonen, uitzinniger wordt en zich op de divan drapeert als een model van de fotograaf André Kertész, wordt het beter. En nadat Schwarz, haar inmiddels tweede echtgenoot, omwille van haar de hand aan zichzelf heeft geslagen, belichaamt ze zelfs een perfecte afstandelijke ontreddering, die niets met rouw en alles met levensdrift te maken heeft.

De nieuwe, tijdelijke behuizing van Het Nationale Toneel, het voormalige zwembad De Regentes in Den Haag, koepelt majesteitelijk boven een uit zetstukken bestaand decor. De galerij leent zich uitstekend als een van de schetsmatige locaties, vanwaar de personages elkaar toespreken in een enigszins geforceerd, afraffelend staccato. De onnatuurlijkheid van de mise-en-scène sluit aan bij die tekstbehandeling, Doesburg zet zijn spelers in lange lijnen recht tegen over elkaar of in diagonalen, met grote afstand ertussen. Spreken doen ze front zaal, zonder hun gesprekspartners aan te kijken, wat zichtbaar isolement oplevert.

De stijl van zijn enscenering is een verkapt soort expressionisme, enigszins grotesk, maar geen moment extreem of verrassend. De regisseur heeft een op zichzelf bewonderenswaardige eenheid gesmeed, maar ervan opkijken doe je niet. De mannen, identiteitbepalers van Lulu, zijn met uitzondering van de kalm-cynische Peter van der Linden als haar derde echtgenoot Schöning, non-descript en Elsje de Wijn, als de wanhopig verliefde lesbische gravin, is buitenkant. De acteurs, maar vooral Doesburg zelf - anders toch uitgesproken genoeg - tonen niet waarom deze Lulu nu eigenlijk gemaakt moest worden. De laatste scènes, gespeeld in het zwembad zelf nadat de eroverheen gebouwde tribune op spectaculaire wijze achteruit geschoven is, verwateren compleet. Voorzover we haar nog zien kunnen wekt de aan lager wal geraakte titelheldin allang geen interesse meer op. Ze wordt plichtmatig om zeep geholpen door Jack The Ripper, roem- en naamloos. De scène illustreert het verloop van deze voorstelling, die nergens opvlamt maar toch uitgaat als een nachtkaars.