Vrees voor Europese regels; Kabinet zegt code sociale zekerheid op

DEN HAAG, 3 NOV. Het kabinet heeft een deel van de Europese Code voor de sociale zekerheid opgezegd. Het gaat daarbij om de bepalingen die onder meer van toepassing zijn op de Algemene nabestaandenwet. Het kabinet vraagt nu achteraf toestemming van het parlement voor de opzegging.

De ministers Borst (Volksgezondheid) en Melkert (Sociale Zaken) willen voorkomen dat de rechter uitkeringen, die volgens het Nederlandse zekerheidsstelsel worden verstrekt, toetst aan de Europese regels. Dit zou tot hogere uitkeringen kunnen leiden.

Directe aanleiding voor opzegging van deel VI van de Code is een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep in mei 1996. Deze bepaalde dat het vragen van een eigen bijdrage voor het gebruik van kraamzorg door vrouwen die op medische indicatie in het ziekenhuis bevielen, in strijd was met de sociale paragraaf van het verdrag van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO).

Dit verdrag geldt wereldwijd en lijkt enigermate op de Europese Code, maar gaat minder ver. Dat het kabinet nu besloten heeft om deel VI van de Code op te zeggen komt door het verschil in opzeggingstermijn. Die van de IAO is tien jaar, voor de Code geldt een opzegtermijn van vijf jaar. Omdat de Code begin jaren negentig is herzien, kan als uitzondering ook per 1 maart 1998 worden opgezegd. Minimaal een jaar eerder moet dit dan zijn aangekondigd.

De uitspraak van de Centrale Raad van Beroep leidde er toe dat Borst de vrouw die het beroep had aangespannen de eigen bijdrage moest terug laten betalen. De vrees bestaat dat ook de naar schatting twee- tot driehonderd andere gevallen de eigen bijdrage gaan opeisen. Daarmee is, schat een woordvoerder van de ziektekostenverzekeraars, enkele honderdduizenden guldens gemoeid. De regeling voor die eigen bijdrage werd begin 1996, kort voor de uitspraak van de Raad, door Borst ingetrokken.

Het was de eerste keer dat een rechter een eis honoreerde die een burger rechtstreeks aan een bepaling uit een dergelijk verdrag ontleende. Beide verdragen leggen minimumnormen vast die door het betreffende land zelf verder worden ingevuld. Ze kennen, aldus Borst en Melkert, niet rechtstreeks rechten toe aan burgers, en dat gebeurde nu wel. “Het valt niet goed te voorspellen of de Centrale Raad van Beroep (de hoogste rechter voor vraagstukken op het gebied van de sociale zekerheid, red.) deze lijn zal doorzetten”, schrijven de ministers in de Memorie van toelichting. Zij vrezen dat dit gevolgen kan hebben voor de uitkeringen die op basis van de Algemene nabestaandenwet worden verstrekt. Zij sluiten daarnaast niet uit, zo schrijven de ministers, dat toetsing van de bestaande wetgeving op het gebied van de sociale zekerheid aan de verdragen er toe leidt dat het hele stelsel op de helling moet.

Het verschil in uitgangspunt dat bij de Code is gehanteerd en dat geldt voor het sociale zekerheidsstelsel voeren Borst en Melkert op als de belangrijkste reden voor het opzeggen van deel VI van de Code. De Code gaat uit van bescherming tegen het 'beroepsrisico', in Nederland geldt sinds de jaren zestig het 'sociaal risico' als uitgangspunt. Weliswaar hebben de ministers van de Raad van Europa het Nederlandse uitgangspunt goedgekeurd, en voor een deel ook verwerkt in de herziene versie van de Code, maar het heeft voor Nederland geen zin het nog te ondertekenen, aldus Borst en Melkert.

De Raad van State was kritisch over de motivering om deel VI van de Europese Code op te zeggen. Volgens de Raad mag dat alleen onder bijzondere omstandigheden. Bijvoorbeeld als het een aanzienlijke verbetering van de sociale zekerheid voor een grote groep onderdanen in de weg staat. Dit is nu niet het geval, aldus de Raad. Hij wijst er daarbij op dat het kabinet in de toelichting op de Nabestaandenwet al aankondigde dat de voorgestelde verlaging van de uitkering aan onder meer weduwen wel eens in strijd zou kunnen zijn met de Europese Code.