Valdine Anderson over Anton Webern

zNieuw Ensemble o.l.v. Ed Spanjaard m.m.v. Valdine Anderson, sopraan en John Snijders, piano. Concerten: 3/11 Theater Romein Leeuwarden; 6/11 Muziekcentrum Vredenburg Utrecht; 8/11 Concertgebouw Amsterdam.

AMSTERDAM, 3 NOV. “De liederen van Anton Webern zijn kort en bondig. Je moet meteen de aandacht van je gehoor zien te grijpen met kleine, subtiele fraseringen. Het moeilijkste bij deze liederen is dat je moet zien te voorkomen dat de muziek versplintert tot losse maten. Je moet kleine stukken en brokken stapelen tot er één groots en aangrijpend geheel ontstaat.”

Deze week zingt de jonge Canadese sopraan Valdine Anderson enkele liederen van Anton Webern in een geheel aan deze componist uit de Tweede Weense School gewijd programma van het Nieuw Ensemble. Anton Webern (1883-1945) studeerde enkele jaren bij Arnold Schönberg en deelde diens voorkeur voor de twaalftoonstechniek. Webern paste deze radicaal toe in een hoogst persoonlijk, delicaat, en bijna ascetisch te noemen idioom. Anderson zingt de Fünf geistliche Lieder opus 15, Drei Volkstexte opus 17 en de postuum uitgegeven Drei Lieder für Gesang und Orchester.

“De liederen voor stem en instrumentaal ensemble componeerde Webern in de jaren 1917-1926. Voor en na die tijd schreef hij liederen met pianobegeleiding. Hoewel ik de latere liederen met pianobegeleiding niet allemaal evengoed ken, prefereer ik deze liederen met klein orkest omdat Webern hier zo prachtig de individuele klankkleuren van mandoline, gitaar, slagwerk, strijkers en blazers laat samenvloeien.

“In deze liederen is het gedicht altijd de hoofdrolspeler. Webern gebruikt klassieke teksten van Goethe, anonieme gedichten uit de verzameling Des Knaben Wunderhorn en schreef zelf de teksten van twee orkestliederen. Doordat de muziek zo sterk wordt gestuurd door de tekst zijn de composities expressief, hoewel Webern nergens extreem is in zijn woordschilderingen. In eerste instantie associeer je Webern wellicht met abstracte, mathematische muziek, maar deze liederen zijn dat allerminst. Webern geeft in zijn notenbeeld vele aanwijzingen, juist om de expressie een boventoon te laten voeren.

“Webern heeft een minder thematische schrijfwijze dan de beide andere componisten van de Tweede Weense School, Arnold Schönberg en Alban Berg. Weberns muziek is veel minimaler met zijn korte frases en zijn pointillisme. Berg trekt in zijn vocale muziek een veel grotere, duidelijker lijn, en die verschillen tussen beiden probeer ik ook altijd te benadrukken. Het zingen van Bergs Lulu-suite of diens Altenberg Lieder is steevast een opwindende gebeurtenis omdat je je echt kunt uitzingen.

“Het zingen van de liederen van Webern is op een andere, veel geconcentreerder schaal bevredigend. Mijn partij voegt zich perfect te midden van de andere instrumenten. De liederen van Webern zijn cleaner, met minder excessieve uitbarstingen. Minder grandioos in zekere zin. We moeten ons realiseren dat deze liederen intussen zeventig, tachtig jaar oud zijn. De grote sprongen tussen de tonen mogen modern klinken, maar dat maakt zijn muziek juist zo spannend en daarin hoor Webern als de wegbereider van de muziek van na de Tweede Wereldoorlog.

“Ik ben Webern gaan zingen aan het einde van mijn studietijd, ongeveer acht jaar geleden. Ik viel meteen voor deze liederen, al worden ze weinig geprogrammeerd. Organisatoren en zangers schrikken er voor terug. Maar Webern is echt niet zo beangstigend als veel mensen wel denken. Anton Webern probeert in een essentiële klankentaal met zijn gehoor te communiceren.”