Proces-Nichols geen herhaling van dat tegen McVeigh; Aanslag Oklahoma: weer verdachte voor rechter

In Denver begint vandaag het proces tegen Terry Nichols, die wordt beschuldigd van medeplichtigheid aan de bomaanslag op een overheidsgebouw in Oklahoma Stad, in 1995. Nichols' advocaat wil voor alles de verschillen laten zien tussen zijn cliënt en Timothy McVeigh, die voor dezelfde aanslag ter dood is veroordeeld.

WASHINGTON, 3 NOV. Toen op 19 april 1995 een met explosieven gevulde vrachtwagen een groot kantoorgebouw in het hart van Oklahoma Stad opblies, was Terry Nichols thuis in het plaatsje Herrington (Kansas), met de auto viereneenhalf uur ten noorden van de plaats des onheils. Zijn advocaat heeft dat de afgelopen twee jaar voortdurend benadrukt: “Terry Nichols was er niet bij.” En de komende weken zal hij het in het proces tegen Nichols nog vele malen herhalen.

De 42-jarige Terry L. Nichols, getrouwd en vader van drie kinderen, moet zich verdedigen tegen dezelfde aanklacht waarvoor Timothy McVeigh (29) in juni ter dood werd veroordeeld: samenzwering en moord. En ook hij kan de doodstraf krijgen. Nichols zou McVeigh geholpen hebben met de voorbereidingen voor het opblazen van het Alfred P. Murrah Federal Building in Oklahoma Stad, waarbij 168 mensen om het leven kwamen. Hij zou hebben meegewerkt met het kopen en stelen van materiaal om de explosieven te maken. Hij zou op eigen houtje een gewapende overval hebben uitgevoerd om het plan te financieren. En hij zou McVeigh hebben geholpen bij het bouwen van de bom en bij het klaarzetten van de vluchtauto.

Maar de rechtszaak tegen Nichols zal geen herhaling worden van het proces tegen McVeigh. De aanklager heeft aanzienlijk minder belastend materiaal over Nichols dan zijn voorganger had over McVeigh. In dit proces zullen behalve andere bewijsstukken ook andere getuigen worden opgevoerd. Hun advocaten zijn bovendien uit totaal verschillend hout gesneden.

Volgens de openbare aanklager dateert het plan voor de aanslag uit 1994. In september en oktober zouden McVeigh en Nichols zijn begonnen met het kopen en stelen van materiaal voor hun bom en het huren van opslagruimtes voor de explosieven. Een vriend van McVeigh, Michael Fortier, heeft in het eerste proces getuigd dat McVeigh hem in die tijd vertelde dat hij en Nichols overwogen om een gebouw op te blazen. Maar volgens Fortier vertelde McVeigh hem in maart 1995 ook dat “Terry er uit wil stappen en Terry de bom niet wil maken”.

Twee dagen na de aanslag meldde Nichols zich uit eigen beweging bij het politiebureau in zijn woonplaats Herrington, omdat hij via de media gehoord had dat hij gezocht werd. Hij vertelde de politie onder andere dat hij wist hoe je een bom moet maken en dat hij daar met McVeigh over gesproken had. Ook vertelde hij dat McVeigh hem drie dagen voor de aanslag had gezegd dat er “iets groots” stond te gebeuren.

Nichols en McVeigh zijn allebei uiterst rechts en waren bezeten van haat tegen de Amerikaanse overheid. Nichols' advocaat heeft vooral naam gemaakt als verdediger van linkse zaken. Michael Tigar was een van de raadslieden van de zwarte activiste Angela Davis, van de Chicago Seven en van de nabestaanden van de marxistische Chileense oud-minister Orlando Letelier, die in 1976 in Washington met een autobom werd opgeblazen. Later verdedigde Tigar John Demjanjuk, die ervan beschuldigd werd de oorlogsmisdadiger 'Ivan de Verschrikkelijke' te zijn, maar uiteindelijk werd vrijgesproken.

Tigar, een tegenstander van de doodstraf, zegt dat hij de verdediging van Nichols op zich heeft genomen omdat het volgens hem gaat om bestrijding van een overheid die geen onderscheid maakt tussen mensen met afwijkende meningen en mensen die gevaarlijk zijn.