Ook persfoto's mogen best mooi zijn; Masterclass voor jonge fotografen in het Nederlands Fotoinstituut

Twaalf jonge, talentvolle fotografen nemen tot en met woensdag deel aan de vierde Joop Swart Masterclass in het Nederlands Fotoinstituut. Daar worden ze tijdens verschillende seminars in een 'educatieve snelkookpan' gestopt. “Kritiek is de beste manier om je grenzen te verleggen.”

World Press Photo Joop Swart Masterclass: Friendship. 9/11 t/m 5/12 in Nederlands Foto Instituut, Witte de Withstraat 63 (Van 19/2 t/m 15/3 in de Melkweg Galerie, Amsterdam) Open: di t/m zo 11-17 uur. Opening woensdag 5/11 om 11.00 uur in aanwezigheid van de deelnemers.

ROTTERDAM, 3 NOV. De Deense fotograaf Tao Lytzen raakt zichtbaar ontdaan van de kritiek op zijn foto's. Hij fotografeerde op The Mall in Londen de reacties van het publiek tijdens de begrafenis van prinses Diana. Maar de vriendschap en verbondenheid die hij daar zegt te hebben gezien en gefotografeerd, wil op zijn collega's niet echt overkomen, zo merkt hij. Er zitten prima foto's tussen vinden ze, maar vriendschap? Wat haar een beetje kwaad maakt, zegt New York Times-fotoredactrice Nancy Lee, is dat ze denkt dat hij het wel kan, want zijn vakmanschap is oké. Maar zei hij niet net dat hij ook zelf ontroerd was door die gebeurtenis? Nou, aan de foto's is dat niet te zien. Hij is teveel buitenstaander gebleven, vindt ze.

Lytzen is een van de twaalf jonge fotografen die tot en met woensdag (5/11) in het Nederlands Fotoinstituut in Rotterdam deelnemen aan de vierde, door World Press Photo georganiseerde, Joop Swart Masterclass. Tijdens deze besloten bijeenkomsten krijgen jonge, veelbelovende fotografen onderricht van doorgewinterde fotojournalisten en -redacteuren; behalve de New-Yorkse Nancy Lee, de fotoredactrices Christiane Gehner (Der Spiegel) en Michele McNally (Fortune), de fotografen Stanley Greene en Tom Stoddart, M.Photo-directeur Liu Heung Shing (Hong Kong) en François Hebel, directeur van Magnum Parijs.

Kennisoverdracht en kwaliteitsverbetering zijn de voornaamste doelen van de vijf dagen durende seminars, lezingen en fotobesprekingen, aldus World Press Photo-medewerker Arpád Gerecsey. “Het is een soort educatieve snelkookpan”. De afgelopen maanden hebben de studenten - afkomstig uit elf verschillende landen, gemiddelde leeftijd dertig jaar; de meeste zijn freelancers, een enkeling heeft reeds een vast dienstverband of is aangesloten bij een fotoagentschap - ieder een foto-essay gemaakt rond het thema vriendschap, en het zijn deze foto's die het belangrijkste onderwerp van gesprek vormen.

Hoe heb je het thema ingevuld? Hoe ben je te werk gegaan? Waarom heb je juist deze foto's geselecteerd voor het essay? Dat zijn enkele van de vragen die de makers moeten beantwoorden. En dat kan soms moeilijker zijn dan het lijkt, zoals Lytzen (1970) merkte. Maar erg vond hij het niet, zegt hij als hij zich een beetje heeft hersteld. “Je moet je grenzen leren verkennen. En kritiek is de beste manier om ze te verleggen. Daar gaat het hier om.”

Wat opvalt aan de portfolio's en de tentoonstelling die Magnum-directeur François Hebel er voor het publiek uit samenstelde is de hoge esthetische kwaliteit van de foto's. Menig essay is zonder meer mooi te noemen; zozeer zelfs dat de feitelijkheid er nog wel eens wat door op de achtergrond dreigt te raken.

De portretten van de Duitse Katharina Bosse (1968), gemaakt van mensen die via contactadvertenties op zoek waren naar vriendschap, zouden aan geen enkele galeriemuur misstaan, maar ze moeten het wel van het idee hebben. En de schimmige foto's die de Amerikaan Michael Ackerman (1967) maakte in de verlopen wijk Cabbage Town in Atlanta zijn in hun levendigheid weliswaar zeer aansprekend, maar zijn wijk-portret ontstijgt nauwelijks de broeierige suggestie, mede omdat het beslist even duurt voor je Ackermans aan drugs verslaagde vriend Benjamin als hoofdrolspeler in het geheel herkent.

Volgens François Hebel is de hoge esthetische kwaliteit kenmerkend voor de hedendaagse fotojournalist. “Het idee dat persfoto's niet mooi mogen zijn is achterhaald. Vooral jonge fotografen zijn ervan doordrongen dat foto's behalve verhalend ook visueel aantrekkelijk moeten zijn om de aandacht van de kijker vast te kunnen houden.” Maar er moet natuurlijk een balans zijn, zegt hij. “Sommigen willen nog wel eens te ver doorschieten. Deze masterclass is een uitstekende gelegenheid om dat aan de orde te stellen.”

Maar tijdens de groepsbespreking van de foto's die de Oostenrijker Klaus Reisinger (1971) maakte van de Wereld Jeugddagen in Parijs, tijdens het recente bezoek van de Paus, heeft hij weinig reden tot klagen. “Reisinger maakt afgewogen kleurenfoto's”, vindt Hebel, “al zijn ze misschien een beetje te gevarieerd. Zou je daarom niet iets meer op de samenhang letten? Maar: 'go in peace', voegt Hebel aan het slot van de bespreking Reisinger toe.

Ook de Engelsman Andrew Testa (1965), freelancer voor The Guardian en The Observer, lijkt de balans goed gevonden te hebben. Hij maakte een serie over ontslagen havenarbeiders in Liverpool die al twee jaar actie voeren om hun baan terug te krijgen. Hij wisselt foto's van armoede en het rillerige posten bij de ingang van het haventerrein af met indringende portretten en stillevens: de taart die de Bakersfood & Allied Workers schonken bij de viering van het tweejarig bestaan van de staking, twee fietsen tegen de als hoofdkwartier dienstdoende caravan behangen met het spandoek 'Scabs Out!'

“Dit is klassenstrijd”, zegt master en fotograaf Stanley Greene bewonderend. “En een moedig onderwerp”, zegt collega Tom Stoddart, want in Engeland wil iedereen momenteel alleen maar goed nieuws zien. Spiegel-redactrice Christiane Gehner bekent dat ze er aanvankelijk niets aan vond: “Zo overbekend, zo depressing.” Maar ze realiseerde zich bijtijds dat dat een vooroordeel was. “Ik kijk al 25 jaar naar foto's en dat is een vorm van hersenspoeling”, lacht ze. Ook voor masters valt er tijdens de class nog wel iets te leren.

    • Eddie Marsman