'Laat me los!'

In deze brugklas is de aanwezigheid van de Turkse doublante Yeim (14) meestentijds storend. Immer met veel vertoon - gebaren, luide stem - maakt ze kenbaar dat een of ander haar niet zint, wat al snel het geval is. Ze is wat je noemt assertief, op het karikaturale af, niet alleen jegens mij, ook tegenover haar medeleerlingen. Het schijnt dat haar ouders het eveneens moeilijk met haar hebben. “Mijn moeder zegt ook dat ik erg lastig ben”, liet Yeim zich vorig jaar eens, met tranen in de ogen, tegenover de conrector ontvallen.

De Turk Haydar, ook veertien en ook doublant, is van een ander slag; die gaat door voor 'kleine crimineel'. Merkwaardig genoeg is het jongetje in de klas absoluut niet lastig, wat lui misschien, soms ook wat tegendraads, maar het mag alles, in vergelijking met Yeim, geen naam hebben. In vergelijking met Yeim is Haydar zelfs gedwee. Buiten school schijnt hij een ander leven te leiden, in gezelschap van vrienden een paar jaar ouder dan hij, vrienden die niet deugen. Schijnt - want ik verneem het bij gerucht. Informatie betreffende de achtergrond van leerlingen wordt, als de schoolleiding die als vertrouwelijk beschouwt (afkomstig van hulpverleners), in de regel niet doorgegeven aan de leraren die met die leerlingen moeten werken.

Wel, deze Yeim en deze Haydar grijpen elkaar vast, aan het eind van een les, als de bel al is gegaan. “Laat me los, laat me los!” hoor ik Yeim plots schreeuwen. Ik kijk op en roep: “Niet vechten in de klas, Haydar, Yeim, niet vechten!”

Maar ze laten elkaar niet los, ik loop ernaar toe, ze laten elkaar nog steeds niet los. En dus, dus pak ik ze allebei stevig vast en trek ze met een flinke ruk uit elkaar. En dat, dat had ik beter niet kunnen doen.

Want op het moment dat ik Haydar vastgrijp, explodeert het anders toch zo rustige jochie. “Laat me los man! Raak me niet aan godverdomme!” Zijn stem is schril.

Dat geschreeuw maakt mij weer boos en om Haydar te overbluffen schreeuw ik er hard overheen: “Niet vechten bij mij in de klas! Als jíj hier in de klas vecht dan grijp ik je bij je lurven en dan sodemieter ik je d'ruit!” Fraai is het niet - het is de bedoeling Haydar eens flink te laten schrikken. Het heeft het tegenovergestelde effect. Of misschien schrikt hij ook wel, maar intimidatie maakt hem, zo blijkt, alleen maar agressiever. Met tranen in de ogen, zijn gezicht vuurrood van opwinding, schreeuwt hij: “Laat me los man! Ik maak je dood, ik maak je dood!” Ziende nu dat hij beslist over z'n toeren is, laat ik Haydar los.

Onmiddellijk pakt hij zijn tas, en beent met dat rode hoofd, die tranen in de ogen, de klas uit - althans, tracht dat te doen, want juist komt een stel grote vijfdeklassers binnen, die Haydar hebben horen schreeuwen, en houden de kleine jongen tegen, de blik vragend op mij gericht: of ik hem nog nodig heb?

Laat 'm maar gaan, gebaar ik en haal diep adem.

Dit is de Haydar van het gerucht, de Haydar om wie hulpverleners zich zorgen maken.

Ook Yeim, zie ik, is geschrokken, niet zodanig toch om zich niet als gewoonlijk assertief te laten gelden: “U mag ons niet aanraken! Leraren mogen leerlingen niet aanraken!”

“Vécht dan ook niet in de klas!” bijt ik haar toe, “doe dat dan verdomme ook niet!”

Iets van de spanning valt zo van mij af - iets maar. Ik loop terug naar mijn tafel en het duurt even voor ik me weer om durf te draaien, en de vijfdeklassers in het gezicht kan zien. Een paar niet onvriendelijke opmerkingen, bedoeld om wat sfeer te scheppen, opmerkingen die ik in normale toestand verwelkom, kap ik nu bits af.

“Waarom bent u zo nerveus?” vraagt een jongen die ik graag mag, verwonderd. Kennelijk heeft hij het incident gemist.

Nog geen tien minuten later gaat de deur open en vraagt een gezicht dat ik niet ken: “Mogen wij u even spreken meester?”

Achter de jongen zie ik Haydar staan. Ik ben blij dat hij uit zichzelf teruggekomen is en loop direct de klas uit, de gang op.

“Ik ben een neef van Haydar”, zegt de jongen - Haydar staat ernaast met nog altijd een rood hoofd en vochtige ogen. “Haydar zegt dat u hem mishandeld heeft.”

Mishandeld? Een neef gaan halen? Is dit bedoeld om mij te intimideren? Ja, zo is het bedoeld.

Overkomt het nu mij - de ellende die ik alleen uit verhalen van collega's ken? Leerlingen die leraren tiranniseren, hun auto bekrassen, om hun huis cirkelen, vuilnis door de brievenbus gooien, 's nachts bellen. Haydar - niet de Haydar die bijna gedwee zijn werk doet, de Haydar die voor intimidatie overgevoelig is - lijkt mij ertoe in staat.

“Met jou praat ik niet, want jij hebt hier niets mee te maken, maar Haydar wil ik wel even spreken.” Het komt in me op dit tegen de neef te zeggen maar het lijkt me niet verstandig. Verstandiger lijkt het me de hele klungelige intimidatie maar te negeren, en de lucht tussen Haydar en mij zo snel mogelijk te klaren - al is het maar voor mijn eigen gemoedsrust.

Dus laat ik de neef staan en spreek ik Haydar direct aan. Zeg dat ik hem niet zo had moeten vastpakken, al lijkt mishandeling mij wel een erg zwaar woord, dat ik dat ook niet meer zal doen, maar dat hij moet begrijpen dát ik dat deed omdat hij aan het vechten was en dat ik vechten in de klas niet, nooit kan toestaan.

“We waren niet aan het vechten, we waren aan het stoeien”, zegt Haydar, maar het klinkt al zwak.

“Het leek mij toch iets meer te zijn, Haydar... Maar goed, laat elkaar dan los als ik dat vraag, dan krijgen we ook geen problemen. Ja?” Ik beloof hem hem nooit meer zo vast te pakken, als hij mij belooft niet meer te vechten. “Goed?” Ik steek mijn hand uit. Haydar knikt en drukt die - godzijdank.

De neef staat er nog. “Goed dat je bent meegekomen”, zeg ik tegen hem, zo onnozel mogelijk, en schud ook hem de hand.

“Je hebt les nu, Haydar?” vraag ik nog. Hij knikt. “Ga nu maar.” En Haydar, Haydar d'Oude, gaat.

Toch slaap ik die nacht slecht; het incident zelf blijft mij voor ogen spoken. Pas de volgende dag verdwijnen de laatste resten spanning, wanneer ik dezelfde klas weer lesgeef, en Haydar mij bij het betreden van het lokaal een verlegen glimlach toewerpt. Voor de andere leerlingen lijkt alles alweer vergeten; ze gedragen zich alsof er niets, maar dan ook niets gebeurd is - typisch leerlingen.

    • Kees Beekmans