Katten op straat

Een van de aardige dingen op straat is dat je af en toe een poes ontmoet. Ik probeer altijd het dier te spreken te krijgen. Dit gaat niet zo maar. Sommige katten komen miauwend op je af, maar vaker wachten ze af. Het is dan zaak met overleg op je doel af te gaan. Niet te energiek, maar kalm een hand uitsteken en de kat de tijd geven die aandachtig te beruiken. Daarna kan hopelijk voorzichtig wat geaaid worden en als dit goed uitpakt kan men wellicht onder de kin of bovenop de kop krabben. Is er dan een gebrom te horen dan is de dag weer goed.

T.S. Elliot, in zijn bundel 'Old Possum's Book of Practical Cats', zegt hierover in het gedicht 'The Ad-dressing of Cats' (door Gerrit Komrij vertaald / herdicht) onder andere:

Ik zet mijn hoed af, buig eens wat En spreek hem aldus aan: O KAT! [...] Hij eist, voor je de naam van vriend En van vertrouweling verdient, Een huldeblijk, zonder hetwelk De liefde afketst: zeg maar melk; Ook caviaar, of slagroomtaart, Wordt minzaam en in dank aanvaard, [...]

Bekende katten - op het dagelijkse traject naar de winkels - zijn al ingedeeld naar hun gewoonten. Zo is er de kat die niet aangeroepen dient te worden, omdat hij pardoes de straat over rent. Opmerkelijk is ook de kat Joris die zijn linkerachterpoot mist ('Joris driepoter') maar desondanks zeer dominant is. Een ander wil altijd - even maar - de inhoud van de boodschappentas inspecteren. Als de tas leeg blijkt wil ze er zelf wel in gaan zitten en het kost dan wat moeite haar er weer uit te verwijderen.

Is er echter een vogel of een collega-kat in het zicht, dan kun je je alle moeite gerust besparen.

    • Hans Klein