Het lijntje naar boven van kardinaal Simonis

De grote stelligheden van kardinaal Simonis komen van boven. Uitverkoren voor een carrière in de rooms-katholieke kerk, die hij rechtlijnig gehoorzaamt en verdedigt. Profiel van een onzeker mens met een onwrikbaar geloof.

Een eucharistieviering aan het Klein-Seminarie Hageveld te Heemstede. Ad Simonis, zeventien jaar oud, begeleidt zijn docent, Bas van der Meer, op het orgel bij de aanhef van het gezang. Van der Meer: “Na afloop kwam hij hevig ontdaan naar mij toe en riep: 'Waarom nam u mijn toon niet over? Ik gaf toch bes aan!'.”

Afwijkingen van de norm heeft de huidige aartsbisschop van Utrecht en kardinaal Simonis nooit goed kunnen verdragen. Zijn geloof in een ondeelbare waarheid is zijn anker. Overtredingen van de rechte leer ervaart hij als een persoonlijke belediging. Hij ontbeert menselijk inlevingsvermogen, zeggen zijn tegenstanders. Hij kan nu eenmaal niet anders, zeggen collega's die hem waarderen.

Adrianus Joannes Simonis (26 november 1931) is de tweede van elf kinderen uit een streng katholiek gezin te Lisse en voelde zich op zijn zesde al geroepen om priester te worden. Hij keek op tegen zijn strenge vader, een tandarts, en had een goede band met zijn moeder.

In de jaren zeventig en tachtig maakte Simonis zich met zijn rotsvaste geloof in die ene orthodoxe waarheid die God zou verkondigen via het Vaticaan te Rome, tot vijand van alle katholieken die streefden naar vernieuwing van hun kerk. De controverse tussen deze roomse 'rekkelijken' en de 'preciezen' is nooit opgelost, maar de storm is inmiddels wel geluwd. In een tijd waarin de terugkeer naar oude waarden in de mode lijkt, kan de kardinaal weer een beetje ademhalen. In het boek 'Op de adem van het leven', dat hij woensdag presenteert en dat een weergave is van gesprekken met Simonis over zijn geloof, toont hij zich meer als spiritueel leider dan als zedenmeester.

Simonis, die dit jaar zijn veertigjarig priesterschap viert, dankt zijn carrière aan zijn leerstelligheid. Meer dan aan flair, ambitie of netwerken van vrienden. Zijn benoeming tot bisschop van Rotterdam door paus Paulus VI in 1970 kwam onverwachts: de kerkhervormers die in het bisdom in de meerderheid waren, hadden gerekend op de benoeming van een meer vernieuwingsgezinde bisschop. Tijdens het Pastoraal Concilie (1966-1970) in Nederland was tot grote schrik van de paus gebleken hoezeer de Nederlandse katholieke gemeenschap streefde naar vernieuwende maatregelen, zoals afschaffing van het celibaat voor priesters en meer democratie binnen de kerk. Simonis, toen nog kapelaan te Den Haag, verdedigde tijdens het Concilie eenzaam de dogma's van het Vaticaan en trok zo de aandacht van de paus, die hem kort daarna benoemde.

Op het seminarie was het al de meest opvallende eigenschap van Simonis: de drang om in te grijpen als hij vond dat het 'zo niet kan'. De sanctie die zijn medestudenten troffen tegen zijn neiging tot corrigeren, was buitensluiting. In studentenbesturen werd hij nooit gekozen. Zijn afkomst uit een milieu dat als meer 'gegoed' te boek stond dan dat van de meeste andere seminaristen, in combinatie met zijn compromisloze precieze houding, maakte hem eenzaam. De jonge Simonis trok zich vaak terug om orgel te spelen of te studeren. Solist tegen wil en dank, want hij houdt juist van gezelligheid: als er tijdens vieringen op het Seminarie cabaretstukjes werden opgevoerd, deed hij graag mee. Zijn docent Van der Meer: “Die ambivalentie van mee willen doen, maar toch een solist zijn, heeft hij altijd gehouden.”

Simonis, die in zijn vrije tijd postzegels verzamelt, graag winkelt en naar de serie 'Derrick' kijkt, lijdt al sinds zijn jeugd aan moeheid. Het zou te maken hebben met zijn te lage bloeddruk. Hij zucht onder zijn taak van 'opzichter' in de liberale kerkprovincie, maar vindt troost in de gedachte dat niet hijzelf, maar de paus (en God via de paus) hem heeft gebracht tot waar hij is gekomen. Hij combineert zijn nederigheid tegenover het opperwezen met het ijdele besef te zijn uitverkoren. De benoeming tot bisschop van Rotterdam (1970-1983), tot aartsbisschop van Utrecht (1983) en daarna tot kardinaal (1985), waren hem 'overkomen'. Katholiek zijn is “in gehoorzaamheid staan”, volgens de kardinaal. Hij kan en wil niet anders. De subjectieve weging van oude waarden en normen die sinds het einde van de jaren vijftig op gang is gekomen, is de kardinaal een gruwel. De menselijke ervaring is door de erfzonde immers gebrekkig en het menselijk oordeel dus ook. Hij vindt de door God gestelde norm, waar het Vaticaan het patent op claimt, belangrijker dan hoe mensen zich eigenlijk gedragen.

Omdat het karakter van Simonis geen ruimte biedt voor experimenten ligt hij al 27 jaar onder vuur van andersdenkenden. 'Wie anders is, maakt weinig kans, hij wurgt ze met zijn rozenkrans en trapt ze stevig maar devoot uit zijn humana vitae-boot. Degelijk en grondig in de goot', dichtte de homoseksuele zanger Robert Long in 1980 over Simonis. De emancipatiebeweging voor homoseksuelen COC daagde Simonis in 1987 voor het gerecht, omdat hij voor de radio had gezegd dat een huisbaas op grond van zijn katholieke geloof een homoseksuele huurder mag weigeren. “Eigenlijk heeft hij ons enorm geholpen”, zegt W. Ruygrok, destijds woordvoerder van het COC. “We hebben door die zaak veel publiciteit gekregen.” Het COC verloor de zaak, maar boekte een “morele overwinning” door de grote aandacht van de media. Simonis had de strijd tegen de emancipatie van homo's toen allang verloren. Van vrouwen in het priesterambt moet hij niets hebben. Simonis heeft zich met zijn standpunt dat de drieëenheid God, de Heilige Geest en Jezus Christus alleen mannelijk kan zijn bij feministische theologen uiterst ongeliefd gemaakt.

Het is wonderlijk hoe Simonis met zijn rigide standpunten in het geweld van zoveel hervormingsdrang vanaf zijn bisschopsbenoeming in 1970 overeind heeft kunnen blijven. In Rotterdam lag hij veelvuldig onder vuur van de vernieuwingsgezinde dekens. “Na afloop van vergaderingen was hij altijd helemaal uitgeput”, herinnert zich ex-docent pater Bas van der Meer, die werd aangesteld in de benoemingscommissie van het bisdom tijdens Simonis' bewind. Van der Meer had vaak “medelijden” met zijn vroegere leerling op het seminarie. “Een keer zei hij wanhopig: 'waarom springt dan ook niemand voor mij in'?” In Rotterdam heeft Simonis het moeilijk gehad, beaamt H. Van Munster, de vroegere secretaris-generaal van de Rooms-katholieke Kerkprovincie die van 1983 tot 1991 hecht met Simonis samenwerkte. “Er waren parochies, daar kon hij niet eens komen. Of als hij belde, zei de pastoor: 'kom maar, maar ik ben er niet'.”

J. van Gennip, directeur van het wetenschappelijk bureau van het CDA, schrijft de overleving van Simonis toe aan diens realiteitszin. Abortus en euthanasie zijn tegen zijn nadrukkelijke wil wettelijk mogelijk gemaakt, maar dat leidde niet tot een breuk met de politiek. “Hij heeft zich nooit van ons afgekeerd omdat hij vond dat wij vuile handen maakten”, zegt Van Gennip. “Hij zegt wat hij vindt, maar respecteert de scheiding tussen kerk en staat.” Simonis houdt koers, maar omzeilt klippen, zegt Van Munster. “Als hij ziet dat er geen betere weg is, is hij zo realistisch om dat te accepteren.”

Simonis is vaak impulsief in zijn uitspraken. Onlangs nog veroorzaakte hij opschudding met zijn bewering dat een verband bestaat tussen de abortuspraktijk en het geweld op straat in Nederland. Hij neemt zelden iets terug en discussie met felle tegenstanders mijdt hij liever. Tijdens het proces dat het COC tegen hem aanspande, liet hij zich niet zien. De Acht mei-beweging, opgericht uit protest tegen het door Simonis opgelegde taboe op oppositionele geluiden tijdens het bezoek van de paus aan Nederland in 1985, merkte ook dat de kardinaal het debat schuwt. Hij liet in 1988 per brief weten dat hij de dialoog met de vernieuwingsbeweging stopzette omdat zij “onvruchtbaar” zou zijn. Terwijl het de Acht mei-beweging dáár nu net om te doen is: verschillende inzichten en interpretaties kunnen bespreken binnen dezelfde kerk, zegt voorzitter H. Wasser. “Simonis zei gewoon: 'jullie kerk, dat is een andere kerk'.” Waar het zijn voorganger Willebrands goed afging om met andersgezinden van gedachten te wisselen, kan Simonis discussies moeilijk scheiden van de drang te overtuigen, zegt de vroegere secretaris-generaal Van Munster. “Dan zegt hij: 'het heeft geen zin om onze standpunten te herhalen'.” Tussen Simonis en de media heeft het nooit geboterd. Zodra de media komen, verwacht hij een aanval en zet zich schrap.

Toch houdt hij van gezelligheid, zeggen mensen in zijn omgeving. Hij is huiselijker dan zijn voorgangers, Alfrink en Willebrands, schenkt zelf de koffie en gaat kijken of er koekjes zijn. Velen verwijzen naar zijn 'kwinkslagen': zijn kardinaals-tenue noemt hij zijn 'postbodepak'. Priester Antoine Bodar herinnert zich hoe hij samen met de kardinaal heeft gelachen om een grap uit een aflevering van Van Kooten en De Bie over de opmerking van bisschop Muskens dat arme mensen een brood zouden mogen stelen.

Maar als Simonis zijn orthodoxe zekerheden bedreigd ziet, deinst hij niet terug voor het nemen van harde maatregelen. Volgens Wasser van de Acht mei-beweging was het de kardinaal persoonlijk die er in 1994 voor zorgde dat vice-voorzitter Versteeghe van de Acht mei-beweging geen pastorale functie kon bekleden. Toen Simonis' opvolger in Rotterdam, bisschop Philip Bär, wegens vermeende homoseksualiteit moest opstappen, sprong Simonis niet voor hem in de bres. Verdediging van het strakke kader waar hij zichzelf mee op de been houdt, heeft als consequentie dat hij anderen van zich vervreemdt, of hij nu wil of niet. In zijn diepste wezen is Simonis een onzekere persoonlijkheid. Als jongen op het Klein-Seminarie had hij last van zware heimwee. Zijn vader kwam hem opzoeken, maar terug naar huis mocht hij niet. De keus was tussen blijven of naar het Canisius-internaat in Nijmegen. Simonis verkoos toen maar te blijven. Mensen in zijn omgeving zeggen dat hij veel angst kent; zijn vliegangst is er de meest zichtbare vorm van. Priester Bodar kwam de kardinaal eens tegen in Rome. “Hij stond op het punt om te vertrekken en zei: 'ik moet straks vliegen naar Amsterdam. Wilt u voor mij bidden'?”.

Simonis bezweert zijn angst met vertrouwen in het hogere. Zolang hij zich kan beroepen op een groot geheel, houdt hij zich staande. Daarom stelt hij zich in gesprekken met mensen die aan zijn zekerheden tornen, onpersoonlijk op. “Hij zegt: 'ik ben niet streng, Jezus is streng'. Tsja, dan is de discussie snel afgelopen”, zegt Wasser van de Acht mei-beweging. Gehoorzamen aan het Vaticaan kost Simonis geen moeite, integendeel, het beantwoordt aan een diepe behoefte. Zodra hij het hogere gezag vertegenwoordigt, vat hij moed. “Hij is een onzekere man die dankzij een lijntje naar boven op de been blijft” zegt de protestantse theoloog Hans Bouma, die twaalf uur lang gesprekken had met Simonis voor de totstandkoming van het boek 'Op de adem van het leven'. Bouma was verrast door de bescheiden devotie van de kardinaal. “Zodra hij zich bedreigd voelt, gaat hij in de verdediging. Maar als hij je vertrouwt, toont hij zich nederig en onzeker. Hij heeft herhaaldelijk tegen mij gezegd: 'ach, wie ben ik'?”

Simonis sluit niet makkelijk vriendschappen. Ondanks de 'geestverwantschap' die priester Bodar met hem meent te voelen, zegt hij 'geen idee' te hebben van wat de kardinaal eigenlijk van hem vindt.

Van Munster, die zeven jaar met Simonis werkte, durft niet van vriendschap te spreken. “Er bleef altijd een afstand”. De kardinaal heeft volgens Van Munster drie goede vrienden. Onbekende mensen zonder ambtelijke verantwoordelijkheid die Simonis evenals zijn familie nadrukkelijk afschermt. Bij hen kan hij uitblazen.