Heruitgaven bij een eeuw muziek op de plaat

Een eeuw geleden begonnen maatschappijen gebruik te maken van de nog primitieve techniek om geluid op platen vast te leggen. Inmiddels is de muziekindustrie, mede dankzij de digitale techniek, uitgegroeid tot een bedrijfstak van enorm commercieel en artistiek belang.

Centenary Edition, 1897-1997 (EMI, 7243 5 66182) Complete Beethoven Edition (DGG, 87 cd's in 20 delen, ook afzonderlijk te koop)

ROTTERDAM, 3 NOV. Naarmate de winstgevendheid - en daarmee deels de toekomst - van de cd-industrie er somberder gaat uitzien, neemt de behoefte toe om het verleden feestelijk te herdenken. De Deutsche Grammophon Gesellschaft (DGG) kwam onlangs met een complete Beethoven-editie ter gelegenheid van haar honderdste verjaardag, die pas volgende jaar echt wordt gevierd: 87 cd's met voornamelijk gerecyclede opnamen.

Een andere grote platenmaatschappij, EMI, is al het hele jaar bezig om haar eeuwfeest te vieren. Niet dat het bedrijf daadwerkelijk in 1897 werd gesticht. De Electric & Musical Industries, waarvan EMI de afkorting is, dateert pas van 1931 - en werd zelfs niet eerder dan in 1971 officieel omgedoopt tot EMI. Maar in de chaotische begintijd van de geluidsreproductie is er altijd wel een reden te vinden voor een jubileum. En die ontdekte EMI in de persoon van William Barry Owen; 1897 was het jaar waarin hij door de Amerikaanse National Gramophone Company van de gebroeders Berliner als vertegenwoordiger naar Londen werd gestuurd. Hij moest daar de octrooien voor het maken van grammofoonspelers zien te verkopen.

Maanden leurde Owen zonder succes met zijn grammofoon. De meeste zakenlui zagen niet veel in de 'sprekende machine' met zijn krakende geluid en zijn dure, uiterst gevoelige schellakplaten. Owen had dan ook pas in februari 1898 succes, bij de Brit Trevor Williams. In april van dat jaar werd de English Gramophone Company opgericht, waaruit later EMI is voortgekomen. Er kwam een kantoor in Londen en een productiefabriek in het Duitse Hannover. Uitgerekend die succesvolle fabriek is waarschijnlijk de reden voor EMI geweest om niet het tekenen van het contract tussen Williams en Owen, maar Owens gesjacher met octrooien tot start van het bedrijf te bombarderen en daarmee al in 1997 de honderdste verjaardag te vieren.

De fabriek in Hannover, die aanvankelijk voor zestig procent eigendom was van de Gramophone Company en voor veertig procent van de gebroeders Berliner in Amerika, werd namelijk tijdens de Eerste Wereldoorlog zelfstandig. In 1917 besloot de Duitse regering de Deutsche Grammophon Gesellschaft, zoals het bedrijf officieel heette, als 'vijandelijk vermogen' in beslag te nemen en door te verkopen. De transactie werd later niet ongedaan gemaakt, waardoor een van de grootste concurrenten van EMI was geboren.

In 1901 vervaardigde de fabriek in Hannover op maar liefst dertig persen dagelijks bijna 10.000 schellakplaten. Ze werden enkelzijdig geperst en hadden nog niet het formaat van de latere langspeelplaten - met een doorsnee van 17 cm lijken ze op de latere single. Drie jaar later was de capaciteit opgevoerd tot 25.000 platen per dag en weer twee jaar daarna tot 1,5 miljoen per maand.

Wie de allereerste opnamen van de Gramophone Company hoort, kan zich in eerste instantie moeilijk voorstellen dat het krakende medium zo snel zo razend populair kon worden. EMI gaf deze zomer voor de gelegenheid een prachtige Centenary Edition uit, die op 11 cd's met een uitgebreide toelichting de klinkende geschiedenis van het bedrijf vertelt. DGG kwam met een enorme Beethoven-editie - waarvan vooral het laatste deel, zes cd's met historische opnamen, van geschiedkundige betekenis is.

Luisterend naar de oudste opnamen van zangers en zangeressen als Enrico Caruso, Nellie Melba en Lilli Lehmann, vraag je je af hoeveel verschillende soorten ruis er eigenlijk bestaan. De ene zanger wordt, behalve door een op de achtergrond murmelende piano, begeleid door een aanhoudende hoge sis, een ander door een onbestemd gehakketak en een derde lijkt te zingen in een schuurtje met een houten dak waarop juist een regenbui neerplenst.

Dat geldt ook voor de historisch waardevolle DGG-opname uit 1913 van Beethovens Vijfde symfonie door de Berliner Philharmoniker onder leiding van de legendarische Arthur Nikisch (waarvan het eerste deel ook te vinden in bij EMI). Vooral in de pianissimo passages van de uitvoering, een van de eerste complete opnamen van een symfonie, moet de luisteraar zijn oren spitsen om door de ruis en de gortdroge akoestiek heen de muziek te kunnen volgen. Maar wie daartoe in staat is - en het gekke is, dat het oor na een paar minuten de ruis vanzelf lijkt uit te filteren - wordt gefascineerd door een eeuw muzikale uitvoeringsgeschiedenis.

Natuurlijk wordt die geschiedenis gekleurd door de technische beperkingen van het medium waarop het geluid is vastgelegd. Er werd een eeuw geleden wel meer gedaan dan alleen zingen en vioolspelen, maar stem en viool waren het gemakkelijkst te vangen met de hoorn die als microfoon dienst deed. Vandaar dat vooral violisten en zangers op die oudste opnamen te horen zijn. En vandaar ook dat de meeste stemmen in het begin uitsluitend door een piano werden begeleid. Een heel orkest durfden de opnametechnici niet aan.

Door de maximale duur van een grammofoonplaat (niet meer dan een minuut of vijf) werden de musici bovendien ernstig beperkt in de keuze van het repertoire. Vooral aria's, of losse delen uit werken voor viool waren geschikt. De eerste opnamen van 'complete' opera's bestonden slechts uit een verzameling aria's, die daarvóór meestal ook al afzonderlijk waren verschenen. Tot een van de eerste 'integrale' opera's (zonder recitatieven) behoort Verdi's Il Trovatore, waarvoor de maatschappij vijftien platen van 25 cm en nog eens vijf van 30 cm nodig had.

Een andere beperkende factor van de eerste grammofoonplaten had een economische achtergrond. Musici werden behalve als artiesten ook gezien als een product om het medium zelf te populariseren. De manier waarop Decca tegenwoordig Luciano Pavarotti exploiteert (of zich door hem laat exploiteren) is niet zo heel veel anders dan die waarop The Gramophone Company dat rond de eeuwwisseling met Nellie Melba deed - niet voor niets werd haar naam vereeuwigd in dunne toast en in ijs met perziken, waarvan zij een groot liefhebber schijnt te zijn geweest.

Een van de belangrijkste dingen die EMI's Centenary Edition en DGG's Complete Beethoven Edition laten horen is dat de aandacht in de uitvoering geleidelijk verschoof van musicus naar partituur. Geen zanger rond 1900 leek zich te bekommeren om wat de componist nu precies had genoteerd. Uitgangspunt voor de interpretatie waren emoties en virtuositeit van de uitvoerder. Niemand bekommerde zich erom dat zangers een hoge toon veel langer aanhielden dan genoteerd stond, zolang die maar soepel uit de keel gleed.

Vooral na de Tweede Wereldoorlog gingen musici zich opwerpen als de trouwe dienaren van de partituur. Dat gold al in de jaren dertig op een nogal eigenzinnige manier voor klaveciniste Wanda Landowska en violist Jascha Heifetz. Zij vertegenwoordigden in zekere zin de ommekeer. Voor violist Yehudi Menuhin, bas Boris Christoff, het Alban Berg Quartett, pianist Wilhelm Kempf, dirigenten Claudio Abbado en Leonard Bernstein - om maar een paar grote namen van EMI en DGG te noemen - was of is 'stijlzuiverheid' een vanzelfsprekend ideaal. Hoogtepunt in deze ontwikkeling zijn musici als David Munrow (Early Music Consort), Jordi Savall (Hespèrion XX) en John Eliot Gardiner die geen genoegen meer nemen met de partituur, maar alle historische bronnen erbij slepen om de intenties van de componist zo dicht mogelijk te benaderen.

Nog belangrijker is echter dat de historische opnamen, zoals EMI en DGG ze bij elkaar hebben geharkt, de juistheid van één benadering van de partituur relativeren. Of het nu gaat om de Beethoven van Arthur Nikisch (1913) of Roger Norrington (1986), om de Wagner van Anton van Rooy (1902) of Bernd Weikl (1993), om de Meyerbeer van Fernand Ansseau (1922) of Thomas Hampson (1991) het is uiteindelijk de persoonlijkheid van de musicus die de kwaliteit van een uitvoering bepaalt. Daarvoor hadden zowel EMI als DGG altijd een goed oor.

    • Paul Luttikhuis