Franse herfst

“Nee”, zegt mijn buurman beslist, “dat proces Papon is een schijnvertoning, een komedie.” We discussiëren in de tuin van mijn huis in de Charente, bijgelicht door de ondergaande zon. In Nederland stormt het, in Frankrijk regeert een gouden herfst. Een lijst met verse rampen die de menselijke dwaasheid moeten bewijzen is net de revue gepasseerd, en het proces tegen de Franse oorlogsmisdadiger is de hekkensluiter.

“De man is oud, en het is allemaal veel te lang geleden. Bovendien, omwille van al die andere misère is ook nooit een proces gevoerd.” Mijn protest dat er een tribunaal voor de oorlogsmisdaden in Rwanda, én een voor die in Joegoslavië bestaat, wuift hij weg: allemaal farce. Na dit vertoon van wereldwijsheid stapt hij op, en laat mij gekrenkt achter.

Hoe minder kennis van zaken Fransen hebben, hoe stelliger hun uitspraken, troost ik mij. De zon gaat onder in roze schuim, en verwarmt niet langer. Het blijft steken, de schimpscheuten op het proces, en er is meer aan de hand dan de gewone ergernis over mannetjesputterij. Is de buurman vorig jaar niet ook naar de uitvaartsmis van Paul Touvier gegaan, het hoofd van de fascistische miliciens van Lyon tijdens de oorlog - 'ja, vanwege de begenadigde prediker die in de mis voorging' - ? En de timmerman dan, die niks tegen joden had maar het wel ontactisch vond dat de socialisten de jood Fabius tot partijsecretaris hadden benoemd? En de man die smakelijk vertelde dat een onderduiker beloofd had zijn lelijke tante te trouwen als hij de oorlog uit kwam, en hij hád het overleefd, maar zijn tante had wel beter geweten dan met een jood te trouwen? De vleermuizen zwieren door de schemer en de uil keft op de schuur, maar de avond is bedorven.

's Nachts komen oudere herinneringen naar boven. In 1986 reisde ik door Elzas-Lotharingen langs de littekens die twee wereldoorlogen in die 'irredenta' hebben achtergelaten. In Straatsburg sprong een 'maudits les Juifs!' op de muren in het oog. In Bärenstall, op het kerkhof van de Duitse soldaten uit de Eerste Wereldoorlog, was een stenen davidster boven een graf afgebroken. Op de Wettstein, waar 3000 Franse Alpenjagers begraven zijn, die met de Duitsers in 1915 om elke vierkante meter Vogees gevochten hebben, had iemand in het gastenboek geschreven: 'pas beaucoup de Juifs..' Het dieptepunt trof ik in Natzweiler, het concentratiekamp waar veel Nederlandse verzetslieden in 'Nacht und Nebel' verdwenen zijn. Uit het dal klom ik omhoog naar het kamp. In hotel Le Struthof, zoals de plek des onheils ook wel bekend staat, nam ik iets te drinken. Boven het buffet hing een bordje 'geen inlichtingen over de gaskamer'. In het kamp zelf raadden bezorgde bordjes aan toch vooral de geplaveide wegen te volgen, en niet de oude paden met scherpe stenen. De barakken waren ook nieuw, want de oude waren verbrand vanwege de tyfus die in het kamp had geheerst. Er was een tentoonstelling ingericht over leven en dood in de Duitse kampen. Er was ook een gastenboek. Bladzijden vol 'plus jamais', 'nooit meer', 'words fail me', 'peace', en dan woest gekras en gestreep door de vrome prevelingen en, in dezelfde rode inkt, in het Frans: 'wie gelooft er nog aan de zionistische gruwelsprookjes! Heil Hitler!' Nadat ik me van de vervloekingen had losgerukt, passeerde ik een exposé van de recente geschiedenis van het kamp. In 1975 waren de nieuwe barakken ook al afgebrand. Door neonazi's.

Het is nog donker als ik, ten slotte ingeslapen, gewekt wordt door woest geblaf. Meutes. Een tijd later vallen de eerste schoten. Ik moet mezelf toespreken: het is zondagochtend, en de jacht is geopend. Het zijn maar patrijzen waar ze op schieten, die Fransen. En, laten we wel wezen, nu eindelijk ook op die paar oude nazi's. Antisemitisme is op veel plaatsen nog wel 'bon ton', maar er zijn ook andere geluiden, houd ik me voor. De onbevreesde stemmen van Le Canard enchaîné en van Serge Klarsfeld, van de 'alarmistische stampij' zoals de nationalistische pers snerpt. En dan hoor ik waar ik al dagen op gewacht heb. Uit de grijze ochtendlucht klinkt door het open raam een zacht maar doordringend 'kroeh, kroeh!' De kraanvogels vliegen over naar het zuiden. Voor een ogenblik zwijgen de geweren, en de jankende honden worden tot de orde geroepen. Zelfs de jagers respecteren de moed van de trekvogels.