Commissie: vierjarige basisbeurs 425 gulden

ROTTERDAM, 3 NOV. De huidige prestatiebeurs moet worden vervangen door een vierjarige basisbeurs, van 425 gulden per maand, voor studenten op universiteiten en in het hoger beroepsonderwijs. Voor scholieren in het middelbaar beroepsonderwijs moet de beurs worden vervangen door kinderbijslag, die ouders krijgen.

Dit staat in het advies over de toekomst van de studiefinanciering dat vanmorgen is uitgebracht aan minister Ritzen (Onderwijs) door een speciale commissie onder voorzitterschap van de Friese commissaris van de koningin, drs. L. Hermans. Overgang naar het nieuwe beurzenstelsel kost volgens de commissie-Hermans eenmalig een bedrag van 3 miljard gulden extra.

In het advies 'De kost gaat voor de kennis uit' pleit de commissie-Hermans voor een zo flexibel mogelijk stelsel van studiefinanciering, dat brede toegankelijkheid van het middelbaar en hoger onderwijs waarborgt. De commissie wil een “transparant en eenvoudig” stelsel.

Anders dan nu het geval is, wil de commissie dat opleidingen zelf bepalen aan welke tempo-eisen de studenten moeten voldoen om een basisbeurs te krijgen. Nu moeten studenten op hogescholen en universiteiten de helft van hun studiepunten halen om in aanmerking te komen voor een beurs. Voor het middelbaar onderwijs bepleit de commissie afschaffing van het lesgeld, zodat scholieren gratis een zogenoemde startkwalificatie voor het hoger onderwijs kunnen halen.

De commissie wil ouders van studenten op universiteiten en hogescholen verplichten mee te betalen aan de studie van hun kinderen, tenzij ze een minimuminkomen hebben. Ze moeten jaarlijks 6.500 gulden meebetalen, tot hun kind 21 jaar oud is. De student kan die bijdrage desnoods via de rechter afdwingen. Na zijn 21ste kan de student een lening afsluiten. Ook vindt de commissie dat het bedrag waarvan een student wordt geacht rond te kunnen komen, moet worden verhoogd met honderd gulden per maand, tot 966 gulden per maand.

Aanleiding voor minister Ritzen om advies over een nieuw beurzenstelsel in te winnen is groeiende kritiek op het huidige, elf jaar geleden ingevoerde, studiefinancieringsstelsel. De commissie deelt de kritiek op de prestatiebeurs, omdat studenten volgens haar nu een te groot financieel risico dragen voor iets dat ze pas jaren later - bij de afronding van hun studie - kunnen bewijzen. “Dit leidt tot twijfel en vermijdingsgedrag”, schrijft de commissie-Hermans.

Pagina 3: 'Stelsel moet 10 jaar mee'

De commissie constateert dat het huidige stelsel studenten onbedoeld afhankelijk heeft gemaakt van hun ouders. “De afhankelijkheid van ouders is in de afgelopen periode toegenomen, omdat de basisbeurs is verlaagd”, aldus Hermans. De commissie stelt vast dat lang niet alle ouders bijdragen aan de studiekosten van hun kinderen en dat studenten daar ook liever niet om vragen. Het nieuwe stelsel moet van de commissie “minimaal tien jaar meekunnen (..) en niet bij iedere onderwijsinhoudelijke verandering moet worden aangepast.” Het huidige stelsel is 25 keer gewijzigd in zijn elf-jarige bestaan.

De commissie onderstreept het “collectieve belang van een hoogopgeleide bevolking” en wil daarom dat het vervolgonderwijs toegangkelijk wordt voor iedereen. Bovendien moet de studiefinanciering zo flexibel mogelijk worden, zodat studenten bijvoorbeeld in het buitenland kunnen studeren of een jaar kunnen werken, vindt de commissie. Een instelling moet met elke individuele student afspreken hoe lang die over zijn studie doet. Ze kunnen bijvoorbeeld besluiten om zes jaar lang een lagere basisbeurs uit te keren dan aan iemand die in vier jaar zijn studie wil afmaken. Wanneer het stelsel van kracht moet worden, schrijft de commissie niet.