'Camera hoort in de rechtszaal'

Het beleid om tv en radio te weren uit de rechtszaal is onwettig, vindt vice-president mr. F.C. Lauwaars van de Amsterdamse rechtbank. Hij bepleit een ruimhartiger toelatingsbeleid voor camera's en microfoons.

AMSTERDAM, 3 NOV. De hasjbaronnen Charles Z. en Johan - 'de Hakkelaar' - V. gingen hem recentelijk voor bij de Amsterdamse rechtbank. Toch wijst niets erop dat de vanochtend begonnen strafzaak tegen de vermeende drugshandelaar Etienne U. een routinezaak wordt. Tientallen journalisten zullen het proces, dat minimaal vijftien zittingsdagen zal tellen, op de voet volgen.

Radio en televisie zullen opnieuw slechts in beperkte mate verslag kunnen doen van het strafproces. Er mogen alleen opnames worden gemaakt van het binnentreden van de magistraten en advocaten, de voordracht van de dagvaarding en mogelijk van het requisitoir en de pleidooien. Ten onrechte, meent de vice-president van de Amsterdamse rechtbank, mr. F.C. Lauwaars (54 jaar).

“De wet stelt geen beperkingen aan het soort vertegenwoordigers van de pers dat in de rechtszaal verslag mag doen. Alle journalisten geven invulling aan het beginsel van de openbaarheid van rechtspraak en het is daarom onjuist dat rechters leden van de schrijvende pers in beginsel anders behandelen dan tv- of radiojournalisten”, aldus Lauwaars.

Het is een opvallend standpunt. Lauwaars zat de Amsterdamse strafkamer voor die begin dit jaar De Hakkelaar tot zes jaar celstraf veroordeelde. Het proces tegen de voorman van het zogenoemde Octopus-syndicaat, nu bijna een jaar geleden, trok een nooit eerder vertoonde mediabelangstelling. De journalistieke aandacht nam zelfs zulke vormen aan, dat de hoofdverdachte nu in hoger beroep de meeste zittingen spijbelt, omdat hij niet langer wil meewerken aan “een mediacircus”.

Omdat justitie tegen was en de rechters niet goed wisten “wat het mediageweld in de praktijk teweeg zou brengen”, besloot de rechtbank niet af te wijken van het beleid om tv en radio ook bij het proces tegen Johan V. niet toe te staan integraal opnames van de rechtszaak te maken. Maar in een volgend geval zal Lauwaars als het aan hem ligt in principe journalisten gastvrijer behandelen.

Angst voor verstoring van de procesorde waardoor een behoorlijke rechtspleging onmogelijk wordt én bescherming van de privacy zijn nu de gronden waarop radio en tv in het algemeen worden geweerd uit de rechtszaal. Maar beide argumenten worden volgens Lauwaars wat al te lichtvaardig aangegrepen om het maken van opnames te verbieden. “Voor sommige rechters is het makkelijk en gerieflijk om de tv buiten de deur te houden”, vermoedt hij.

Er is volgens hem alle reden om bij de bescherming van de persoonlijke levenssfeer wat minder bevoogdend te zijn. “De behoefte aan de bescherming van de privacy is de laatste tien jaar kennelijk aan verandering onderhevig. Kijk bijvoorbeeld maar naar al die huilprogramma's die je tegenwoordig op tv ziet. Mensen komen maar wát graag op tv, ze zijn ook veel meer gewend. Ze hollen naar de radio en tv om van alles en nog wat te kunnen vertellen.”

Ook voor verstoring van de orde zegt Lauwaars niet al te zeer te vrezen. “Mijn ervaring is dat je na een paar minuten vergeten bent dat de tv aanwezig is. Ze moeten alleen niet met camera's gaan rondrijden zodat het zicht op de verdachten wordt belemmerd. Er moeten vaste camera's komen die beelden maken die door alle zendgemachtigden kunnen worden gebruikt.”

De voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor rechtspraak, mr. L.R. van der Weij heeft recentelijk gezegd te vrezen dat “de kwaliteit van de strafrechtspleging achteruitgaat als wordt toegegeven aan de verlangens van de audiovisuele media”. Minister van Justitie Sorgdrager verklaarde dat tv-verslaggeving een onaanvaardbare druk op de magistratuur zal leggen.

Lauwaars gelooft dat het allemaal wel meevalt. “Alle media-aandacht heeft weinig invloed op je professionele taakuitoefening. We kennen de dossiers en die zijn maatgevend. Mijn gedrag verandert ook niet door de aanwezigheid van camera's: ik doe het zoals ik het doe.”

De rechter zegt ook niet te vrezen dat getuigen of verdachten zich onder invloed van de camera anders gaan gedragen. “Dat zou kunnen maar ik denk niet dat het fundamenteel anders wordt. Iemand moet toch in het openbaar verklaringen afleggen. Als nu iemand iets vervelends moet vertellen zit men op de tribune ook allemaal op het puntje van de stoel. Verdachten of getuigen stikken vaak sowieso van de zenuwen. Ik kan me niet voorstellen dat dit met een tv in de rechtszaal zoveel erger wordt. Is dat toch zo en dreigt daardoor de waarheidsvinding te worden belemmerd dan kun je per geval, per incident alsnog beslissen de tv te weren, maar dat is wat anders dan een algemene uitsluiting.”

Een heuse rondvraag heeft Lauwaars niet verricht, maar hij zegt te vermoeden dat langzaam maar zeker steeds meer collega's zijn opvattingen delen. “Er zijn nog steeds rechters die bang zijn voor sensationele uitzendingen. Zo van: de tv gaat vast 25 keer herhalen dat ik in mijn neus zat te peuteren. Maar de kwaliteit van de verslaggeving is niet onze verantwoordelijkheid.”

Daar komt nog bij dat tv-verslaggeving twee belangrijke voordelen kan hebben. “De schrijvende pers heeft sterk de behoefte een subjectieve weergave van de gebeurtenissen te maken. Het voordeel van audiovisuele registratie is dat die objectiever kan zijn. Je ziet wat er is gebeurd. Een koele registratie is veel informatiever.”

Ander pluspunt is dat officieren van justitie en advocaten niet langer voor en na de strafzaak hun interpretatie van de werkelijkheid hoeven te schetsen. “Het strafproces speelt zich dan weer echt af op de plek waar het ook moet gebeuren. Laat het dreamteam van advocaten en de crimefighters van justitie maar hun waarde bewijzen in de rechtszaal. We hoeven toch niets te verbergen.”

Public-relationsadviezen die het openbaar ministerie inhuurde in de Hakkelaar-zaak zijn volgens Lauwaars niet echt nodig, maar “enige training” van rechters kan wat hem betreft geen kwaad. “Rechters moeten te horen krijgen hoe ze het publiek optimaal kunnen bedienen. Leg een rechter uit dat hij niet alleen maar tegen het papier aanpraat. Hij moet verstaanbaar overkomen.”

“Rechters moeten geen tv-sterren worden. Ze moeten bijvoorbeeld niet bij Sonja gaan zitten. Ze mogen er ook best heel saai uitzien, want we zitten er niet voor de tv. Als we maar duidelijk overkomen. Dat is een plicht die voortvloeit uit het wettelijke beginsel van de openbaarheid.”