Wijsbegeerte als dienstmaagd; Nederlandse filosofie vertoont trekken van een zwartekousenkerk

De Nederlandse filosofie staat vijandig tegenover de wetenschap, aldus de aan de Leidse universiteit verbonden wetenschapsfilosoof J.W. McAllister. Als er al aandacht wordt besteed aan de wetenschapsfilosofie, dan richt die zich niet op een probleem maar op de publicaties van anderen.

HOEWEL DE natuurwetenschap niets anders is dan voortgezette natuurfilosofie met wiskundige en experimentele middelen, hebben natuurwetenschap en wijsbegeerte een haat/liefde-verhouding. Het gebied bij uitstek waar men de liefde bedrijft is dat van de wetenschapsfilosofie, die zich in de twintigste eeuw als een zelfstandige tak van de wijsbegeerte heeft ontwikkeld. De toestand van de wetenschapsfilosofie in een land geeft daarom aan hoe het met de verhouding is gesteld tussen de wetenschap en de filosofie.

In Nederland is die verhouding niet best, zo concludeert J.W. McAllister in 'Philosophy of Science in The Netherlands', (International Studies in the Philosophy of Science 11 (1997), blz. 191-204). “De voorwaarden om wetenschapsfilosofie te bedrijven in Nederland zijn niet optimaal. De Nederlandse filsofie staat onsympathiek tegenover de wetenschap,” aldus oordeelt McAllister.

Veel haat en weinig liefde. Het artikel lijkt op een visitatierapport. Maar het is niet geschreven in opdracht van een ministerie of andere officiële instantie, zodat er geen sprake is van een onzuivere hang naar politieke compromissen of het bedienen van academische belangen. Dat McAllister een Brit van geboorte is die sinds 1990 als wetenschapsfilosoof werkt bij de Universiteit van Leiden, verhoogt de objectiviteit van zijn oordeel: hij heeft geen natale wortels in een 'zuil'.

Er bestaat belangstelling voor de natuurwetenschap in Nederland, met zijn wetenschapsweken, wetenschapsbijlagen en nationale wetenschapsquizzen, die de publieke gemoederen in beweging houden. Ook zijn er televisieprogramma's over de wetenschap; de interviews van Wim Kayzer (1993) worden genoemd. Echter, “belangstelling voor de natuurwetenschappen is niet even ontwikkeld bij Nederlandse filosofen, van wie velen onverschilligheid of vijandigheid ten toon spreiden jegens de wetenschap”.

McAllister laat het evenwel niet bij deze onthutsende constatering en gaat op zoek naar oorzaken. Een oorzaak is de populariteit bij Nederlandse filosofen van de zogeheten Continentale School (Heidegger, Husserl), die de wetenschap opvat als een technologische activiteit zonder intellectuele waarde, en van de Groene School (Eng.: green environmentalism), die de wetenschap behandelt als de hoofdverdachte in de zaak van de milieuvervuiling (en niet de mens). Maar de belangrijkste oorzaak voor de akelige houding van Nederlandse filosofen tegenover de natuurwetenschap is de invloed van de theologie, aldus McAllister. In de Middeleeuwen was de positie van de filosofie die van ancilla theologiae (dienstmaagd van de godgeleerdheid). In wijsgerig Nederland blijkt de Verlichting nog te moeten beginnen, laat staan de ontzuiling. De beroemdste Nederlandse filosofen aller tijden zijn de joodse godgeleerde Spinoza en de sterk door het calvinisme gestempelde jurist Herman Dooyeweerd, grondlegger van de Wijsbegeerte der Wetsidee.

Modderfiguur

Op het internationale toneel van de wiskunde en de natuurwetenschap is Nederland prominent aanwezig, maar op dat van de filosofie slaat Nederland een modderfiguur. Het filosofisch onderzoek aan de bijzondere universiteiten kan zich niet losmaken van religieuze affiliaties, merkt McAllister op; en de openbare universiteiten hebben bijzondere leerstoelen om de aanwezigheid van de Heer in Academia te waarborgen. Een postdoctorale opleiding wetenschapsfilosofie, zo gewoon als zand in de rest van de beschaafde wereld (Engeland, Verenigde Staten), bestaat niet in Nederland - maar dominee kun je overal worden. In de stichting van NWO die het geld verdeelt zitten filosofie en theologie gebroederlijk bijeen. Een filosoof als Herman Philipse (Leiden), die openlijk atheïstische standpunten verdedigt, is een witte raaf op een populatie van 150 hoogleraren en docenten wijsbegeerte.

En zelfs wanneer er wel aandacht is voor de wetenschapsfilosofie, dan nog wordt ze gedomineerd door een exegetische houding: men richt zich niet op een probleem maar op wat anderen erover hebben geschreven.

Wetenschapsfilosofische conferenties zijn steevast niet gewijd aan problemen maar aan personen (Rom Harré, Hilary Putnam, B.C. van Fraassen). Deze exegetische houding is typerend voor de theologie, want het enige dat theologen bestuderen is wat anderen theologen hebben geschreven. In het algemeen is in Nederland filosofie synoniem met geschiedenis van de filosofie.

De Nederlandse wetenschapsfilosofie past naadloos in deze traditie. McAllister citeert uit recente artikelen van nationale bodem: “In this article I have explicated, elaborated and defended the strategy which Nancy Cartwright and Wesley Salmon take to defend scientific realism” en: “In this paper I will discuss Dennett's position (...)” Commentaar van McAllister: “Ongetwijfeld bieden deze auteurs vindingrijke interpretaties van de door hen gekozen teksten, maar hun talent behoort eigenlijk gericht te zijn op het ontwikkelen van hun eigen denkbeelden.”

Tegendraadsheid

De enige hooggeleerde wetenschapsfilosoof in Nederland die het volstrekte tegendeel is van de Hollandse houding in de filosofie is J. Dorling (Amsterdam), misschien niet toevallig ook een Brit van geboorte. Hij organiseerde conferenties zoals Recent Advances in the Philosophy of Science (1991), waar de top van de internationale wetenschap de laatste ontwikkelingen te berde bracht, en publiceerde artikelen die blaken van originaliteit èn tegendraadsheid. Dorlings artikel 'Theologica', waarin hij de spot drijft met de soort van redeneringen die opgeld doen in de godgeleerdheid, heeft vermoedelijk niet bijgedragen aan zijn populariteit in de Nederlandse filosofiegemeenschap.

Zijn leerstoel is enkele jaren geleden wegbezuinigd en Dorling zal, na een slopende rechtszaak tegen de Universiteit van Amsterdam, binnenkort terugkeren naar zijn moederland. In de verdeel- en heerspolitiek van de bezuinigers was hij kansloos. Zijn leerstoel is inmiddels gedeeltelijk opnieuw geïnstalleerd door de Universiteit van Amsterdam en zal bekleed worden door een socioloog uit Limburg (G. de Vries).

Van de Nederlands filosofie doemt het beeld op van een gigantische zwartekousenkerk. McAllister biedt echter verzet tegen het ontstaan van een dergelijk beeld, want er blijven uitzonderingen (ook na het vertrek van Dorling). Zo noemt hij het werk over waarheidsgelijkenis van T.A.F. Kuipers (Groningen), over rationaliteit van A.A. Derksen (Nijmegen) en over de natuurkunde van de Utrechtse grondslagengroep (die echter een buitenbeentje is, want gefinancierd door de Faculteit Natuur- en Sterrenkunde, en mede daardoor meer hoort bij de natuurkunde dan bij de filosofie). Het beeld dat McAllister schildert is alarmerend. Even alarmerend is het dat de minister van Onderwijs wetenschappers voortdurend van hun werk houdt met de gedwongen oprichting van en participatie in overbodige en geldverkwistende onderzoeksscholen, topscholen en wat dies meer zij, terwijl de emancipatie van de filosofie blijkbaar niet eens op zijn politieke agenda staat.

Nederland blijft een domineesland, ook onder een paarse regering. Laten we ons vooral geen illusies maken. Met de wetenschap zijn al geen stemmen te winnen, laat staan met de filosofie.

    • F.A. Muller