Weigeryuppen

In de processen tegen degenen die ervan worden verdacht een oneigenlijk beroep op de Wet Gewetensbezwaren Militaire Dienst te hebben gedaan, wordt door een ongelukkige woordkeus de zaak ten nadele van de verdachte gedefinieerd.

Illustratief voor de vooringenomenheid die samengaat met het gebruik van de uitdrukking 'weigeryup' is het artikel 'Conflict over straf voor weigeryuppen' in de krant van 28 oktober. De verslaggever legt de uitdrukking uit als 'dienstweigeraars die om economische redenen niet wilden dienen in de krijgsmacht'.

Zo ziet de officier van justitie het, maar tot de rechter een vonnis heeft geveld, worden de aangeklaagden er slechts van verdacht dat ze uit opportunisme niet wilden opkomen. Het is een goed journalistiek gebruik deze nuance te laten uitkomen in de berichtgeving.

Vooralsnog moet worden bewezen dat de gewetensbezwaren van de verdachten zo onoprecht zijn als de officier van justitie meent. Naar verluidt neemt het aantal mannen die moeten voorkomen gestaag af, wat de vraag oproept of de officier eigenlijk wel zo'n sterke zaak heeft. Ik betwijfel niet dat er mannen zijn die ten onrechte beweerd hebben gewetensbezwaren tegen de militaire dienst te hebben, maar ik vraag me af of het insinuerende gebruik van de term 'weigeryup' in de media niet tot een aantal onterechte beschuldigingen leidt.