Stemmen uit de zee

Er zijn twee manieren van schrijven over tuinen; de ene is de belerende ('doe dit en dat in november') en de andere de belijdende. Een artikel in deze categorie is 'The Ghost of a Garden' van Heather MacKinnon in een recent nummer van Hortus (No 41, Spring 1997). “Veel tuiniers werken met twee tuinen”, begint het, “de huidige, en de volgende die ze hopen te zullen hebben, de droomtuin; en dan hebben enkelen van ons er nog een derde: een geliefde tuin die voorgoed is verloren.”

Haar verloren tuin was in het westen van Engeland, op de glooiende hellingen bij het Bristol Channel, “waar je het zaad in december kon zaaien en zien opkomen in januari; waar de winterjasmijn wekenlang bloeide”. Maar nu is ze terug in Canada, waar het in april nog sneeuwt. Ze gaat er nog altijd heen wanneer ze in Engeland is en bekijkt - alleen van buiten - haar vroegere huis. “Ik geloof”, schrijft ze, “dat ik me iedere centimeter in die tuin herinner. Jarenlang, als ik niet kon slapen, probeerde ik me alle planten voor de geest te halen - degene die ik cadeau had gekregen van buren en vrienden, degene die ik in plaatselijke kwekerijen had gekocht.” Toen ze wegging “keek ze ontzet toe hoe de nieuwe eigenaar aankwam met een enorme pol pampasgras die van zijn vader kwam (..) Ik vond het monsterlijk: gedisproportioneerd, niet harmonisch.”

Als ze nu oude lijsten en rekeningen bekijkt weet ze niet precies meer waar elke plant stond: “Met het voorbijgaan der jaren groeien de leemtes tussen de herinnerde planten”. Ze is als de minnaar die het eens zo geliefde gezicht jaren later terugziet en niet herkent: “Mijn herinnering heeft me deze tuin laten behouden, en nu de herinnering vervaagt zal ik hem verliezen.” Een regel van Eliot komt haar voor de geest: “lost lilac and the lost sea voices”.

Verloren als die stemmen is nu ook de eerste tuin die ik in Holland heb gekend. Hij bestaat nog wel, maar, zoals MacKinnon beschrijft, het is geen bekend terrein meer; nooit meer zullen we langs die straat in Den Haag rijden en precies weten hoe de tuin er uitziet die achter dat huis ligt. Het huis heeft nieuwe eigenaars. Misschien zullen die het advies volgen dat je vaak hoort: laat alles eerst een jaar zoals het was en zie hoe je dan denkt; maar misschien hebben ze alles al omgeploegd. In elk geval toonden ze er toen ze het huis kochten nauwelijks belangstelling voor.

Als je verhuist, al is het maar een paar straten verder, kun je de tuin niet meenemen. Levende dingen, een verzameling planten opgebouwd over vele jaren, daar moet je afstand van doen aan mensen die ze misschien niet eens opmerken.

Toen ik die tuin voor het eerst zag stond er nog een noteboom in, die min of meer dezelfde rol speelde als onze beuk. De eigenaars waren tegen wil en dank specialisten geworden in schaduwplanten. Mijn exemplaar van Gardening in the Shade van Margery Fish, een van mijn eerste tuinboeken, kreeg ik trouwens van hen. Ze hadden het niet meer nodig, hun noteboom werd gekapt, van de ene dag op de andere hadden ze volle zon. Op warme dagen, wanneer bij ons het zonlicht alleen maar in kleine vlekjes de grond bereikte, hadden zij zinderende hitte, en rozen, irissen en lavendel; we probeerden onze afgunst te bedwingen.

Ze hadden een pergola, met Hydrangea petiolaris die tegen een pilaar opklom en takken alle richtingen had uitgestuurd, een fantastisch gezicht wanneer zij in bloei stond; het had hun jaren gekost om dat te bereiken. Er waren nog andere prachtige hydrangeas, veel verschillende, grote soorten als H. aspera ssp. sargentiana, en H. quercifolia, H. involucrata 'Hortensis' en hybriden; en honderden witte Japanse anemonen 'Honorine Jobert', verbluffend elegant tegen de donkere taxusheggen; gigantische zelf uitgezaaide Macleaya cordata torenden op allerlei plaatsen, groot maar vriendelijk als het monster van Frankenstein. Er waren ook rozen, met inbegrip van de groene Chinese Rosa x odorata 'Viridiflora', die ik me vreemd genoeg niet kan herinneren ooit in bloei te hebben gezien. Misschien kwam ik steeds net niet op het juiste moment.

Veel van deze plantensoorten heb ik in die tuin leren kennen (en menige nakomeling ervan staat nog in mijn tuin); ik denk dat ik ze nog allemaal zou kunnen noemen. En zoals Heather MacKinnon zou ik een imaginaire rondleiding kunnen geven waar ze stonden: polemonium, dicentra en epimedium, her en der euphorbia's, asarum, helleborussen, diverse geraniums, skimmia en bompiani; verder de Victoria-pruim, de kweepeer, de catalpa, twee leilindes en niet te vergeten de klimmende Schizophragma hydrangeoides, waarvan de imposante naam verbergt dat het een soort klimhortensia was (en een heel langzame beginner).

Die tuin rondgaan was een belangrijk ritueel, er over praten, de planten herkennen, hun sterkte en schoonheid prijzen (dankzij een speciale formule natuurmest, die ik nu, immer hoopvol, ook gebruik); je kunt heel verknocht raken aan een tuin, al ben je er niet de eigenaar van. Er was een moment van consternatie toen de indeling werd veranderd: geen gazon meer, een vijver erbij, maar we raakten er vertrouwd mee. Ik herinner me hoe we daar wel buiten aten en hoe de tuin langzaam verzonk in duistere maar bekende vormen, en dat het zo koud werd dat we ons in dekens hulden.

Al die tuinen die in je geheugen rondspoken - uit de kinderjaren, vroegere tuinen, tuinen van andere mensen, geestverschijningen van tuinen. Natuurlijk is het verkeerd om terug te gaan, niets verandert sneller dan een tuin. Regels van Yeats spoken door mijn gedachten, uit The New Faces:If you, that have grown old, were the first dead, Neither catalpa tree nor scented lime Should hear my living feet, nor would I tread Where we wrought that shall break the teeth of Time. Let the new faces play what tricks they will In the old rooms; night can out- balance day. Our shadows rove the garden gravel still, The living seem more shadowy than they.

    • Sarah Hart