Scheidend milieu-officier in Amsterdam bitter gestemd over politiek; 'Overheden staan kennelijk boven de wet'

Op grond van wetten en regels worden milieudelicten aangepakt. Dat lijkt voor de hand te liggen, maar zo eenvoudig gaat dat niet in de praktijk. Een doorgewinterde officier van justitie lucht zijn hart.

AMSTERDAM, 1 NOV. “Een testament”, noemt hij de cri de coeur bij zijn afscheid van het openbaar ministerie. De Amsterdamse officier van justitie mr. A.M. Fransen, gespecialiseerd in milieuzaken, legt zijn functie van openbare aanklager neer met een bittere klacht over Den Haag: “De politiek dreigt het recht te gaan overvleugelen en dat zie ik als een uitholling van de rechtsstaat.”

Fransen, onlangs 58 geworden, is al vijf jaar de oudste officier bij het parket in Amsterdam. Vanaf 1 november is hij ambteloos burger, omdat hij gebruik maakt van de mogelijkheid die dit jaar bij de reorganisatie van het OM aan 55-plussers wordt geboden om met een gunstige financiële regeling te vertrekken. In zijn geval gaat die stap gepaard met gemengde gevoelens. Enerzijds ziet hij aanzienlijke vooruitgang bij de aanpak van milieudelicten, anderzijds is hij van zorg vervuld over de trend in het Nederlandse rechtssysteem dat de politiek het primaat krijgt over het recht.

Fransen licht dit toe aan de hand van drie voorbeelden. Een daarvan is de teloorgang van de autonomie bij het openbaar ministerie nu de minister van Justitie, als uitkomst van een proces van jaren, daar de dienst gaat uitmaken: “De minister krijgt absolute zeggenschap over het OM. Zij bepaalt wat je als officier moet doen en kan bij wijze van spreken je requisitoir gaan voorschrijven. Zij kan uit politieke overwegingen tegen me zeggen: 'Fransen, hou je handen af van die zaak' of sterker nog: 'Je mag er ook geen onderzoek naar doen'. En daar moet je je dan knarsetandend bij neerleggen.”

De gesignaleerde trend wordt volgens hem versterkt door het zogeheten Pikmeer-arrest, een uitspraak van de Hoge Raad (april 1996) dat overheden, onder andere gemeentebesturen, bij vermeende (milieu)delicten in beginsel niet voor de strafrechter kunnen worden gedaagd.

Fransen: “Het controleren van gemeenten, provincies en ministeries bij overtreding van milieuwetten - en dat gebeurt nogal eens - heeft geen zin meer, want je kunt toch niet tegen ze optreden. Het OM heeft daarover de noodklok geluid en ikzelf was in de pers zo ongeveer de klokkenluider. Maar de politiek wenst de zaak niet te herstellen door het Wetboek van Strafrecht aan te passen. Overheden staan dus kennelijk boven de wet.”

Als derde voorbeeld noemt hij de introductie van de bestuurlijke boete. Dit betekent dat het openbaar bestuur steeds meer de rol van handhaver krijgt toegewezen, speciaal op milieugebied, en zelf boetes kan opleggen aan bedrijven die de wet overtreden. Fransen: “Die praktijk wordt steeds vaker in nieuwe wetten vastgelegd onder het mom dat Justitie dan geld bespaart. Maar daar staat tegenover dat nu andere overheden voor de kosten opdraaien en die zijn zeker zoveel kwijt. Financieel is er dus geen enkel voordeel.”

Fransen concludeert: “Aan milieuwetten en milieuvergunningen ontbreekt het niet, het is de handhaving waar de schoen gaat wringen. De overheid redeneert klaarblijkelijk: we leggen alles wel in een wet of vergunning vast, maar we zien straks wel of we die wetten handhaven. Als het ons uitkomt, doen we het; als het ons niet uitkomt, doen we het niet. Dit standpunt is het OM een gruwel.”

Toch is het niet louter zorg en treurnis wat Fransen op de valreep te bieden heeft. Als gunstige ontwikkeling ziet hij de strafrechtelijke overheveling van milieudelicten naar de Wet economische delicten, die hij zou willen betitelen als de 'Wet op economische én ecologische delicten'.

Fransen: “Hiermee krijgen opsporingsambtenaren en officieren van justitie meer instrumenten in handen om bijvoorbeeld verdachte bedrijven te controleren en bedrijfsgebouwen te betreden. Bovendien zijn de sancties op overtredingen aanmerkelijk strenger geworden. Boetes tot in de miljoenen en hoge gevangenisstraffen zijn mogelijk. In de praktijk ben ik ook niet ontevreden over de boetes die de rechter uiteindelijk oplegt. Die zijn in betrekkelijk korte tijd opgelopen tot in de tonnen, soms miljoenen. Gelukkig heeft de Amsterdamse rechtbank mij vrijwel altijd in mijn eisen gevolgd. Zo kun je tenminste op een volwassen manier werken.”

Als positief punt noemt hij verder de ontwikkelingen bij het openbaar ministerie, waar een netwerk van milieu-officieren tot stand kwam. “Je kunt zelfs als milieuspecialist binnen de organisatie promotie maken.”

Fransen wil bij zijn afscheid ook een boodschap meegeven: let vooral op preventie. Een van de grotere milieuproblemen is de afvalbusiness. “We moeten zien te voorkomen, dat afval in louche handen terechtkomt. Het is een wezenlijk andere problematiek dan bijvoorbeeld harddrugs, die per definitie bij de onderwereld thuishoren. Een grote, geruchtmakende strafzaak in die sfeer is dus niet iets om trots op te zijn, integendeel. Het is in feite een blamage, een brevet van onvermogen. Zo'n zaak is een teken dat het aan preventie heeft ontbroken.”

Als voorbeeld noemt hij het recente TCR-schandaal. TCR staat voor Tankercleaning Rotterdam, het dubieuze schoonmaakbedrijf van de gebroeders Langenberg, die wegens verregaande watervervuiling in de Botlek tot onvoorwaardelijke celstraffen werden veroordeeld.

Fransen: “Een paar jaar eerder speelde de TCA-affaire, Tankercleaning Amsterdam; hetzelfde bedrijf van dezelfde mensen, maar dan in Amsterdam. Het OM en de betrokken overheidsdiensten hebben er toen bovenop gezeten met als gevolg dat er een voorwaardelijke gevangenisstraf en enkele tonnen boete werden opgelegd. Maar belangrijk was dat er in Amsterdam onmiddellijk orde op zaken is gesteld. Vervolgens zijn de gebroeders voor hun illegale activiteiten kennelijk uitgeweken naar Rotterdam en daar is het volledig uit de hand gelopen. Er kwam een grote strafzaak uit voort, maar een mooie zaak? ”

Doorgaans had Fransen als milieu-officier te maken met bedrijven, waaronder grote oliemaatschappijen, maar hij was ook niet vies van kleinere zaken. Een van de laatste kwesties die hij te behandelen kreeg, was ontegenzeglijk klein. In september eiste hij tweehonderd gulden boete voor het weggooien van een colablikje op het spoor van metrostation Reigersbos. “Want het milieu begint ook bij jezelf.” De politierechter vond de eis overdreven en kwam op vijftig gulden uit, waarna Fransen in hoger beroep ging. Het zaakje zal worden afgewikkeld als hij niet meer in functie is.

Een kwart eeuw geleden werkte Fransen als raio (rechterlijk ambtenaar in opleiding) bij het parket in Utrecht. “Het woord milieu bestond toen nog nauwelijks binnen het OM. Milieuwetgeving kwam slechts mondjesmaat los.” Maar de adspirant-officier wist al wel een wapenfeit op zijn conto te schrijven door een proefproces tegen een handelaar in potgrond aan te spannen.

Het was een van de vele handelaren die in de Utrechtse, Gelderse en Brabantse bossen humus van de bodem schraapten en als potgrond verkochten, tot schade van het geboomte dat onder voedselgebrek te lijden kreeg. Fransen bracht hiertegen de Ontgrondingenwet in stelling, een redelijk gewaagde onderneming, omdat twijfelachtig was of humus wel onder die wet zou vallen. De affaire liep tot aan de Hoge Raad en die stelde Fransen in het gelijk, waarmee aan deze natuurvernielende praktijk een eind kwam.

Fransen: “En dat sterkte me in de overtuiging dat er voor een volwaardig milieu-officier een vruchtbare toekomst was weggelegd. Maar het heeft wel tot eind 1987 moeten duren voordat ik, ondanks al mijn gedram, de kans kreeg om als volwaardig milieu-officier aan de slag te gaan.”

    • F.G. de Ruiter