Praatjes en plaatjes

ELK LAND heeft van die films die dat land, of tenminste een aspect daarvan, perfect portretteren. Wie bijvoorbeeld Fanfare, Blue Movie en 06 gezien heeft, heeft een glimp opgevangen van de ware Nederlandse volksziel.

Wat er precies gebeurt in die films is niet zo belangrijk. Musiceren blijft uiteindelijk musiceren, copuleren copuleren, en telefoneren telefoneren. Veel onthullender is het feit dat de maker juist die gebeurtenissen koos, in die bepaalde context, en de manier waarop die gebeurtenissen vorm gegeven worden.

Amerika kent ook van die onthullende genres. Een daarvan is het type 'Porky's pretpark': hinnikende, wat verlate, een tikje te pafferige pubers beleven kinderachtige avonturen die vaagweg iets met stiekem bierdrinken en het andere geslacht van doen hebben, maar net nooit ergens toe leiden, met een paar blote puistige jongeherenbillen als hilarisch hoogtepunt. Meligheid kent geen tijd.

Misschien dat de met de paplepel ingegoten competitiesfeer er de oorzaak van is, maar zulk flauw gegeit is een wezenskenmerk van de Amerikaanse student. Nergens stromen de verbale spitsvondigheidjes rijker en onbeheerster dan op de campussen van Ome Sam. Diezelfde Amerikaanse studenten en AIO-achtige jonge onderzoekers hebben een grote bijdrage geleverd aan de opbloei van het computerwezen in de afgelopen veertig jaar, wat ervoor gezorgd heeft dat het nergens zo bol staat van rare en koddige benamingen als juist in de computerwereld.

Maar wat bezielt zelfs de meligste student om een bijnaam als 'Yu-Shiang whole fish' te verzinnen voor zoiets onopvallends als de kleine letter gamma, zoals rond 1980 op het Massachusetts Institute of Technology in Cambridge gebeurde? En hoe kan het dat zo'n idiote benaming voor zo'n niksigheidje ruim vijfentwintig jaar later nog blijkt te leven?

Dat heeft alles te maken met het feit dat de gamma een heel opvallende vreemde vis in de vijver van het computerscherm was. Niet dat het technisch zo moeilijk was, maar een Griekse letter op een beeldscherm, dat was een hoogst uitzonderlijk gebeuren. Toen, en nu tot op zekere hoogte nog.

In de begintijd van de computer was het helemaal niet zo duidelijk hoe de in- en uitvoer het beste kon geschieden: ponskaarten, beurstikkerlinten, alles werd gebruikt. Een van de allereerste apparaten die, vlak na de Tweede Wereldoorlog, vaagweg op een computer leken, liet als uitvoer niet meer zien dan een patroontje van één tot acht oplichtende vlekjes op een beeldschermpje. Het apparaat dat vaak de eerste Personal Computer genoemd wordt, de Altair uit de late jaren zeventig, kwam niet veel verder: er was geen toetsenbord voor de invoer. In plaats daarvan moest voor elke instructie omslachtig een rij schakelaartjes in bepaalde standen worden gezet. Er was ook geen beeldscherm voor de uitvoer, maar alleen een reeks aan- en uitfloepende lampjes.

Nu was de Altair niet maatgevend voor de stand van zaken van dat moment. Men had allang ontdekt dat gewone letters en cijfers het beste standaardcommunicatiemiddel waren tussen mens en machine, domweg omdat mensen zo slecht met andere coderingen overweg kunnen. Voor de computer maakte het allemaal niet uit, zolang er maar een strikt mechanische manier bestond om menselijke invoer in voor hem begrijpelijke instructies - dat wil zeggen: patroontjes van nullen en enen - om te zetten, en omgekeerd. Computers hebben niks met letters, en ook niet met menselijke taal.

Spraak was duidelijk geen bruikbaar kanaal. Dat is het vandaag de dag nog niet. Wel bestond er al een middel om tegen machines te schrijven: het toetsenbord van schrijf- en telexmachines. Telexmachines konden toetsaanslagen al in elektrische pulsen omzetten. Er moest dus alleen een manier komen om de toetsaanslagen voor computers begrijpelijk te maken. Omgekeerd leverde de telex ook een voor de hand liggend uitvoermedium op: de printer. Later kwam daar het beeldscherm bij, eigenlijk een printer die licht en fosfor gebruikt in plaats van inkt en papier.

Toentertijd kon niemand bevroeden dat de computer zijn brood nog eens zou verdienen met zoiets als tekstverwerken. Grootschalig rekenwerk, een taak waarbij ook de primitiefste computer het accuraatste en snelste menselijke rekenwonder met straatlengten slaat, lag veel meer voor de hand. Daarvoor waren strikt genomen alleen cijfers nodig, plus de punt, de komma en het minteken. Verder was een simpel alfabet wel prettig, om de uitvoer wat leesbaarder te maken. En er waren natuurlijk de handelingen die je met een schrijfmachine verricht die niet direct in een teken op papier resulteren: tabuleren, de regelomhaal, en nog zo wat dingen. Al met al kwam je met een stuk of zestig te coderen 'handelingen' een heel eind: zesentwintig hoofdletters, tien cijfers, wat leestekens en een handvol andere handelingen. Omdat geheugen in die tijd nog ongelooflijk schaars en duur was, gebruikten de eerste coderingstabellen dan ook patroontjes van zes bits, zes nullen en enen, per 'teken'. Met zes bits kun je immers vierenzestig verschillende patroontjes maken, van 000000 tot 111111. Ruim voldoende, dacht men.

Dàcht men, want al ras breidde het aantal taken waarvoor computers gebruikt werden zich uit, en ontstond de behoefte om naast hoofdletters ook over kleine letters te kunnen beschikken. Dat betekende dat de patronen per teken langer moesten worden, omdat het aantal tekens groter werd dan 64. Met zeven bits kwamen 128 tekens binnen bereik. Op die basis ontwierp een aantal computerfabrikanten tezamen met de International Standards Organization (ISO) begin jaren zestig de eerste echte standaardtabel, waarin alles wat met een schrijfmachine kon een eigen plaatsje had. Die tabel, de American Standard Code for Information Interchange (ASCII, Amerikaanse standaardcode voor informatie-uitwisseling), vormt nog steeds de meest gebruikelijke basis voor de communicatie tussen toetsenbord en computer, en tussen computer en beeldscherm of printer. En omdat het een Amerikaanse standaard was, zat de Griekse gamma er niet in, net zomin als veel ander nuttigs.