Italiaanse roulette

Op de autostrada tussen Milaan en Florence worden we constant ingehaald. Zelfs kleine Fiatjes geven ons het gevoel dat we stilstaan. Honderdveertig kilometer per uur is blijkbaar niets voor de Italiaanse automobilist.

“Het is een wonder dat het steeds goed gaat”, zegt mijn reisgenoot die achter het stuur zit, als een BMW die ons met 'dik tweehonderd kilometer' heeft ingehaald flink moet remmen om niet op een Renault te knallen. Die was, zonder richting aan te geven, opeens van rijstrook veranderd. “Autorijden is hier meer dan een middel om je te verplaatsen. Het is een sport”, klinkt het vanachter het stuur. “Een Italiaanse versie van Russische roulette”, meent mijn tweede reisgenoot.

Enkele dagen later rijden we in Florence op een eenrichtingsweg met zes rijstroken. Het is spitsuur, het verkeer staat vrijwel stil. Maar zodra de auto's in één rijbaan door kunnen rijden duwen de andere uit de belendende rijstroken hun neus daar tussen. Zo slalomt iedereen zich vooruit.

Wij nuchtere Hollanders slaan het lachend gade. Onder een slecht verlicht viaduct halen we even later een snelheid van dertig kilometer. In de rijbaan naast ons gaat het iets sneller: opeens zie ik het enorme voorwiel van een vrachtwagen door het linkerraam. Een paar seconden blijft het wiel op gelijke hoogte, daarna kruipt het steeds dichter bij. Mijn twee vrienden ontgaat dit evenmin. Net als we ons gedrieën afvragen of 'die klootzak' ons wel ziet, ramt het wiel de zijdeuren.

Een uur later zijn alle gegevens voor de verzekering uitgewisseld. De trucker verontschuldigd zich en neemt met een handdruk afscheid. Wij zijn vooral opgelucht dat onze auto verder kan rijden.

Vier dagen later zijn we op weg naar huis. Nabij Koblenz tanken we. De pompbediende ziet de ingedeukte kant van de auto. En weet meteen waar we zijn geweest: “Ah, Italien!”

    • Paul de Lange