Historicus Regina Grüter onderzocht de Weinreb-affaire; Kon je de oorlog maar over doen

Hoe is het mogelijk dat de fantast Weinreb in de jaren zestig en zeventig kon rekenen op de onvoorwaardelijke steun van de progressieve intelligentsia? Historicus Regina Grüter promoveerde donderdag op de affaires rond Friedrich Weinreb en verbaasde zich over zoveel dwaling. Uiteindelijk ging het niet meer om de ware toedracht, maar om het 'kritiese' standpunt, de woordenoorlog.

Is het weerbericht in De Telegraaf soms ook niet waar omdat het in De Telegraaf staat?' Ooit was deze vraag relevant, maatschappelijk relevant, zouden ze in die tijd hebben gezegd. En dat is nog helemaal niet zo lang geleden. Journalist Eelke de Jong stelde hem in 1969 aan zijn collega Renate Rubinstein. Ze hadden het over de zaak-Weinreb. Iedereen leek het in die jaren voortdurend over de zaak-Weinreb te hebben. De vraag bleef hangen in de woordenstrijd, maar het zou sommigen destijds veel moeite hebben gekost toe te geven dat het weerbericht van De Telegraaf wel eens betrouwbaar kon zijn.

De Telegraaf-vraag, die zo op het oog niets met de zaak-Weinreb te maken heeft, is typerend voor de polemiek die zo'n elf jaar woedde in enkele Nederlandse media. De woordenoorlog (1965-1976) ging maar ten dele over Friedrich Weinreb en diens oorlogsverleden als verzetsheld of oplichter. Het ging over maatschappijkritiek, opstandigheid, politiek. Over antisemitisme en zionisme. Over deugen en niet-deugen in het algemeen. Waar je stond in de zaak-Weinreb - en ervoor uitkomen moest iedereen van de 'intelligentsia' - was waar je stond in de maatschappij. Wie over feiten bleef schrijven, werd al snel een 'schooljuffrouw' genoemd.

De historicus Regina Grüter (1953) haalt in haar proefschrift Een fantast schrijft geschiedenis, dat zij donderdag met succes verdedigde, koel analyserend de polemiek nog eens op. Haar onderzoek ging over alle affaires rond de charismatische Weinreb, een enkele wist zij zelfs als eerste boven tafel te halen: Weinreb chanteerde in de jaren vijftig Buitenlandse Zaken met de leugen dat de Indonesische regering hem belastende verklaringen over Nederlandse spionage probeerde te ontlokken. Het bedrog past geheel in het beeld dat zij van Weinreb schetst als pathologische leugenaar.

Haar dissertatie is “een boek met afstand”, zegt Grüter geworden een dag na haar promotie. “Dat komt waarschijnlijk ook door de heftigheid van de polemiek destijds. “Ik houd niet van ruzie.”

Friedrich Weinreb (1910-1988) was een Nederlander van Oosteuropese afkomst, die in 1942 joden een plaats liet verwerven op een door hemzelf bedachte lijst voor emigratie. Voor 100 gulden of meer per persoon dachten zij een treinreis te hebben geboekt naar onbezet Frankrijk. Weinreb heeft op deze manier waarschijnlijk zo'n 350.000 gulden geïncasseerd. Er is nooit een trein vertrokken. “Alle beloften waren zeepbellen”, zou hij later in een interview zeggen. “Je kon niet anders dan zeepbellen verkopen.” Zelf hield hij tot zijn dood toe vol dat de lijsten bedoeld waren om de Duitsers een rad voor ogen te draaien en inderdaad zijn er joden van die lijst aan de deportaties ontkomen.

Direct na de oorlog werd Weinreb veroordeeld wegens oplichting en hulp aan de vijand. In 1965 kwam zijn zaak opnieuw onder de aandacht toen de historicus Jacques Presser in zijn kloeke Ondergang een aantal pagina's aan Weinreb wijdde en hem een 'zondebok' noemde: “Als er geen joodse verraders waren, moest men ze uitvinden.”

De beslissende impuls gaf Weinreb zelf toen hij, met hulp van de journaliste Renate Rubinstein, zijn memoires Collaboratie en verzet begon te publiceren. Het eerste deel, Het land der blinden (1969), werd met veel instemming ontvangen. De tijd was overrijp voor een dergelijk boek, volgens Grüter. Waarom?

Omdat Het land der blinden een schelmenroman is. In besprekingen en interviews werd Weinreb al gauw een Tijl Uilenspiegel genoemd. Hijzelf had het over een 'administratieve guerrilla' die hij in de oorlog had gevoerd. Harry Mulisch noemde hem de 'Che Guevara van de bureaucratie'. Met 'fantasie en list' en zonder geweld was het Weinreb gelukt mensen te redden. Dit boek leek de provotijd op het lijf geschreven. Geen wonder dat iemand als Roel van Duijn hem op handen droeg en Wim Noordhoek in het hippe weekblad Aloha hem een 'fantasties voorbeeld' noemde.

Weinreb kon in zijn memoires schrijven: “Ik zal die Duitsers een figuur laten slaan zoals ze nog nooit geslagen hebben.” Zo hadden Weinrebs medestanders (inmiddels verenigd in een comité dat ijverde voor heropening van zijn rechtszaak) de oorlog wel over willen doen. Fantasierijk. Geweldloos. Door zich niet aan de regels te houden ('Weinreb heeft zo zijn eigen regels'). De Tweede Wereldoorlog als Pipo tegen de Dikke Deur of Swiebertje tegen Bromsnor. De bezetter als 'establishment' en de bezetten als klootjesvolk.

Want dat was de tweede boodschap van Weinreb en die kwam hard aan in niet-'progressief', niet-'kritisch', 'rechts' Nederland anno 1969: de Nederlandse bevolking had onverschillig toegekeken tijdens de bezetting en was braaf, overfatsoenlijk en gezagsgetrouw de Duitsers eerder ten dienste dan tot last geweest. Die boodschap oversteeg de jaren '40-'45. Die boodschap was bedoeld voor de Nederlanders van de jaren '60 en '70, toen gezagsgetrouw een vies woord werd.

Was het toeval dat juist De Telegraaf een vernietigende minirecensie over Het land der blinden schreef? “De tijd heeft echter geleerd dat veel - te veel - wat wij toen te horen kregen, volkomen uit de professorale duim was gezogen.”

Toch was De Telegraaf geen partij voor het pro-Weinrebkamp, waarin zich naast Rubinstein vooral de recensent en schrijver Aad Nuis (de huidige staatssecretaris voor Cultuur) onderscheidde. Nuis ging het daarbij vooral om de strijd tegen het establishment, schrijft Grüter. Hij zag zichzelf in een “bijna-rol als een tweede Zola in een tweede Dreyfus-affaire.” Rubinstein was vooral gelovige, volgens Grüter. Zij aarzelde niet om te liegen als de Zaak daarom vroeg. En die Zaak was, schreef zij ooit zelf “de vraag wat je in godsnaam in de oorlog kon doen om mensen van de dood te redden”. Mensen zoals haar eigen vader, bijvoorbeeld. Weinreb leek haar het antwoord op die vraag. Voor twijfel was geen plaats.

Veel gevaarlijker voor Weinreb waren de getuigen die zich meldden. Mensen, vooral joden, die Weinreb uit de oorlog kenden en een heel andere kijk op hem hadden. Zij vertelden onder meer over de 'medische keuringen' die de econoom Weinreb verplicht stelde en bij vrouwen liefst zelf uitvoerde. Van verschillende kanten werd afgedongen op Weinrebs herinneringen.

In 1970 kon het Weinrebcomité zich nog verheugen. De zaak werd officieel ter onderzoek overgedragen aan het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (RIOD). Het leverde opnieuw veel publiciteit op en nu verscheen een tegenstander op het toneel die Rubinstein en Nuis niet als 'onzalig wicht' of 'hystericus' konden wegblazen.

Het was Rubinsteins eigen schuld. “Als juffrouw Rubinstein mij niet enige brieven gestuurd had, om mij in de zaak te betrekken, zou het er waarschijnlijk nooit van gekomen zijn”, schreef Willem Frederik Hermans in 1970. Dat was karakteristiek voor Rubinstein, die mogelijke medestanders als er weer een publikatie voor of tegen Weinreb was verschenen opbelde met de dringende vraag: “En? Heb je het al gelezen? Wat vind je ervan?” Tegenspraak beantwoordde zij met giftige pijlen in haar column Tamar in Vrij Nederland. Ze hield er een 'bestand' van deskundigen op na.

Zo vroeg zij Hermans of die niet vond dat Weinreb wel iets weghad van Osewoudt, de hoofdpersoon in zijn De donkere kamer van Damocles. Een man die denkt dat hij verzetsdaden doet, maar die na de oorlog wordt gearresteerd op beschuldiging dat hij aan de verkeerde kant heeft gevochten.

Hierna volgen de hoogtijdagen van de Weinrebaffaire. Hermans wantrouwde Weinreb en sleep zijn pen tegen 'Aad en Renate': “Dit zijn schrijvers die voor GEEN ENKELE lasterlijke bewering terugdeinzen, als ze maar de indruk hebben dat ze op die manier gelijk kunnen krijgen.” Weinreb zelf noemde hij de 'chassidische bellenblazer', 'professorandus' (omdat hij zich voortdurend titels aanmatigde die hij niet bezat, of zich tenminste zo liet noemen door zijn gehoor) of de 'Zwitserse kiezentrekker' (wegens zijn veroordeling voor het onbevoegd uitoefenen van de geneeskunst).

In deze jaren worden de knipsels (er liggen er 1.800 in het RIOD) steeds smeuïger om te lezen. De zaak Weinreb wordt wijder en nu doet het er vooral toe wáár iemand staat. Zoals de documentairemaker Philo Bregstein schreef: “En De Telegraaf mag dan democratisch zijn volgens Hermans, mijn persoonlijke ervaringen met deze krant zijn op feiten gebaseerd, waarvan een der laatste was dat de beide uitzendingen van mijn film over prof. J. Presser door Leo Riemens, de tv-criticus, werden doodgezwegen.”

Of dat de classica Henriëtte Boas moet uitleggen: “Ik ben inderdaad in het bezit van een 'dr'-titel. Maar waarom moet iemand die een 'dr'-titel heeft, bij voorbaat niet worden geloofd, en iemand die alleen maar 'drs' is, zoals Weinreb, of iemand die geheel geen academische studie heeft voltooid, zoals Renate, wel?”

Het ging allemaal over goed en fout na de oorlog, zegt Grüter nu.

Grüter werpt de vraag op hoe het mogelijk is “dat zoveel kritische, zich intelligent achtende mensen Weinreb zo kritiekloos hebben gevolgd”.Kritisch (in die tijd ook wel 'krities') was een onontbeerlijk progressief bijvoegelijk naamwoord. Maar de kritische blik gold daarbij kennelijk vooral (en eigenlijk exclusief) 'het gezag'.

Een historicus als Maarten Brands, destijds goed bevriend met Rubinstein en tegenwoordig directeur van het Duitslandinstituut, bewonderde bij het verschijnen van Het land der blinden Weinrebs 'onbegrensde geheugen' en diens 'enorme waarnemingsvermogen'. Geen spoor van twijfel aan de ellenlange dialogen die Weinreb, meer dan 25 jaar na dato, nog wist op te diepen. Zonder te kunnen terugvallen op aantekeningen. Die had hij immers niet gemaakt. Brands wist het na lezing in 1969 zeker: “Het wordt tijd om recht te doen aan Friedrich Weinreb.”

Recht is er wel gedaan, maar Weinreb en zijn verdedigers kunnen er niet echt blij mee zijn geweest. In 1976, na zes jaar onderzoek, concludeerden de onderzoekers van het RIOD dat Weinreb een nog veel grotere oplichter was geweest dan de Bijzondere Raad van Cassatie na de oorlog had gedacht. Hij had door verraad in ieder geval zeventig joden de concentratiekampen ingestuurd. Weinreb woonde toen allang niet meer in Nederland en liet zich in het buitenland interviewen om te zeggen dat het RIOD al even leugenachtig en bevooroordeeld was geweest als de Bijzondere Rechtspleging. Zijn verdedigers deden er het zwijgen toe. Een enkeling wist nog iets af te dingen op het rapport. Aad Nuis schreef zelfs in 1979 nog een verdediging van Weinreb, maar die belandde in de ramsj, schrijft Grüter.

Grüter heeft de hoofdrolspelers, voorzover zij nog leefden, nog gesproken voor haar proefschrift. Bij een enkeling proefde ze nog iets van de hoop die Weinreb in 1969 in hun harten had gebracht. 'Was het maar zo gegaan. Dan hadden er meer joden gered kunnen worden. 't Was zo mooi geweest.' Maar de overige gesprekken leverden haar weinig op, vertelt ze. “Aad Nuis lachte breed en was buitengewoon aimabel, maar verder kwam ik niet. En Brands, daar kreeg ik ook niet veel uit.”

    • Bas Blokker