Grote vragen, kleine vragen

De Wetenschapsweek zit er weer op. Het journaal liet begin oktober beelden zien van kleuters en peuters die vrolijk aan het knutselen en frutselen waren in laboratoria door het hele land.

Kliederen met superslijm is nu eenmaal altijd leuk. Solderen vast ook wel, maar dan moet je natuurlijk wel een soldeerbout te pakken krijgen. Met wetenschap heeft het natuurlijk allemaal niet zoveel te maken, zoals wel bleek uit het commentaar van het grut. Maar misschien neemt het hier en daar wat drempelvrees weg en het is ongetwijfeld nuttig dat de begeleidende ouders zien waar hun dure belastinggeld aan wordt uitgegeven.

Ik wil ook nog wel aannemen dat de kinderen inzicht in enkele fundamentele fysische processen kunnen verwerven door een leuk proefje, maar inzicht in het hoe en waarom van het wetenschappelijk onderzoek is natuurlijk andere koek. Misschien is het handiger en nuttiger om het kliedergrage kroost het volgend jaar een vrijkaartje te geven voor NewMetropolis in Amsterdam. Dat is ontworpen voor dit soort activiteiten en daar zullen het superslijm en de soldeerboutjes niet zo gauw zijn uitgeput als in het gemiddelde grote-mensenlaboratorium.

Sommige mensen schijnen te denken dat de wetenschap zich vooral bezighoudt met grote vragen. Natuurlijk zijn er grote vragen en die spelen bij sommige mensen ook wel door het achterhoofd, maar de meeste succesvolle wetenschappers slagen erin die grote vragen te splitsen in vele kleine vragen. Kleine vragen kunnen soms beantwoord worden, grote vragen zelden (zoals maar al te veel schrijvers van scripties ieder jaar weer ondervinden). Om de wetenschap aantrekkelijker te maken voor het grote publiek was er voor de Wetenschapsweek een aantal van die grote vragen op een rijtje gezet.

Een vriendelijke radiojournalist meende te moeten vaststellen dat vrijwel al deze grote vragen betrekking hadden op het terrein van het bèta-onderzoek. Om dat eenzijdige beeld te redresseren belde hij me op met de vraag of ik niet, in een paar minuten, wat grote vragen op het terrein van de geesteswetenschappen kon formuleren. De goede man ging er blijkbaar van uit dat ik als voorzitter van het Gebiedsbestuur Geesteswetenschappen van NWO wel moeiteloos het hele terrein van het geesteswetenschappelijk onderzoek zou overzien en dus nog wel wat grote vragen ergens in een bureaula zou hebben liggen. Zo simpel is het natuurlijk niet, en ik mocht er gelukkig een nachtje over nadenken.

Nu is het één ding om aan te geven dat het geesteswetenschappelijk onderzoek op vele terreinen in de afgelopen jaren qua werkwijze en materiaal, vooral door de intrede van de computer, onherkenbaar is veranderd, maar dat levert niet zomaar één of twee grote vragen op. Het levert een stortvloed van grotere en kleinere vragen op die soms voor het eerst beantwoord kunnen worden, maar veel vaker nu pas voor het eerst gesteld kunnen worden. Het zou me trouwens verbazen als het in andere vakgebieden niet net zo was.

Niet altijd is de computer schuldig aan het ontstaan van nieuwe vakgebieden en vragen. In andere gevallen zijn het politieke ontwikkelingen die er toe leiden dat verloren gewaande collecties opeens nog blijken te bestaan en toegankelijk worden. Mijn eigen vakgebied, de Chinese letterkunde, is de afgelopen jaren op die manier schoksgewijze uitgebreid. In 1977 en 1978 had mijn Amerikaanse collega Y.W. Ma een subsidie gekregen om anderhalf jaar lang de wereld rond te reizen voor het maken van een grote bibliografie van traditionele Chinese romanliteratuur, bronnen en studies. In 1979, toen de Culturele Revolutie alweer voorbij was, publiceerde hij nog een artikel, 'Where is de Dairen Collection of Chinese Fiction?' Al zijn pogingen namelijk om te achterhalen waar de zeventiende- en achttiende-eeuwse Chinese romans in de beroemde bibliotheek van de (Japanse) South Manchurian Railway Company in Dairen (Dalian) na de Tweede Wereldoorlog waren gebleven, bleken op niets te zijn uitgelopen.

In sombere bespiegelingen over het mogelijke lot van de collectie, opperde Y.W. Ma als mogelijkheid dat de hele verzameling wellicht door de Sovjet-troepen als oorlogsbuit naar Siberië versleept was en daar voor altijd verloren was gegaan. Een paar jaar later bleken al zijn gissingen volkomen verkeerd. De collectie was de oorlog vrijwel ongeschonden doorgekomen en had ook de Culturele Revolutie goed overleefd. Toen de openstelling van China eenmaal voldoende was voortgeschreden, begonnen onze Chinese collega's plotseling te publiceren over de collectie, die zich nog altijd in Dalian bleek te bevinden. Bovendien werden de unica in de collectie in hoog tempo in moderne edities uitgegeven. Plotseling was het corpus van de traditionele Chinese romanliteratuur met enkele tientallen toengankelijke titels uitgebreid. Toegegeven, zeker niet alle meesterwerken, maar toch voldoende in aantal en belang om een fundamentele herschrijving van de geschiedenis van het genre nodig te maken.

Op dit moment gebeurt iets vergelijkbaars, maar met nog grotere consequenties. Tijdens de laatste twee keizerlijke dynastieën bestond in China het genre van de baoiuan of 'kostbare rollen', dat wil zeggen verhalende teksten, geschreven in een afwisseling van dicht en ondicht, met een religieuze strekking. Het oudste bewaarde voorbeeld dateert uit 1372. Een van de bekendste voorbeelden van het genre is gewijd aan het wonderbaarlijke leven van de bodhisattva Guanyin (Kannon) in haar vrouwelijke gedaante als de prinses Miaoshan. Deze tekst werd al in 1505 genoemd maar is nog steeds populair.

Het genre werd oorspronkelijk vooral gebruikt in de boeddhistische lekenprediking, maar vanaf het einde van de vijftiende eeuw werd het ook gebruikt door allerlei stichters van nieuwe geloven voor het uitdragen van hun gedachtegoed. De Chinese overheid weet zich echter verantwoordelijk door het juiste doen en denken van haar onderdanen. Dat is niet pas zo sinds de Bevrijding van 1949, maar dat was ook in de eeuwen daarvoor al zo. Vandaar dat de Chinese overheid iedere supralokale organisatie van onderop altijd met de grootste achterdocht heeft bejegend: wat niet door de staat is geïnitieerd, moet wel subversief zijn. Dat werd trouwens ook wel bewezen door het feit dat vele vervolgde groepen uiteindelijk in verzet kwamen, wat dan weer rechtvaardigde dat ze door de overheid te vuur en te zwaard werden uitgeroeid. Door de voorkeur van sektarische leiders voor de vorm van 'kostbare rollen' voor de verkondiging van hun ideeën, heeft het genre bij de Chinese overheid altijd in een kwade reuk gestaan. Traditionele en moderne Chinese intellectuelen hielden zich in het algemeen ook spontaan verre van deze verwerpelijke verwoordingen van vulgair bijgeloof.

Het onderzoek naar dit omvangrijke corpus van literatuur heeft dan ook de afgelopen jaren een uiterst marginaal bestaan gekend. Het onderzoek werd vooral beoefend door een handjevol geleerden buiten China, die meestal moesten werken op basis van een kleine verzameling teksten die nogal toevallig tot stand was gekomen. In China zelf werd het genre nauwelijks onderzocht. Op Taiwan niet door gebrek aan materiaal, in de Chinese Volksrepubliek niet omdat het onderwerp politiek veel te gevoelig lag - het is niet erg bevorderlijk voor academisch onderzoek in een autocratische samenleving wanneer de belangrijkste collecties van primaire bronnen gevonden worden in de archieven van de politie.

Gelukkig begint daar nu sinds enkele jaren verbetering in te komen. De politie heeft, tenminste in enkele gevallen, haar uitgebreide verzamelingen van 'kostbare rollen' overgedragen aan openbare bibliotheken. Op sommige, zeer uiteenlopende plaatsen blijken de 'kostbare rollen' nog steeds voorgedragen te worden door dorpelingen voor dorpelingen, zodat ze bestudeerd mogen en moeten worden als 'volksliteratuur'. Nu voor het eerst de bestaande bestanden zijn geïnventariseerd, blijken er plotseling niet enkele honderden verschillende 'kostbare rollen' te bestaan, maar ten minste 1600, en met een beetje zoeken halen we voor het einde van de eeuw zeker de 2000. Niemand die geïnteresseerd is in Chinese volksreligie of Chinese volksliteratuur zal zich in de toekomst kunnen veroorloven dit omvangrijke corpus over het hoofd te zien.

Inmiddels is men ook op bescheiden schaal begonnen met de heruitgave van deze teksten. Vooral bescheiden, want de geur van sektarisme en illegale organisatie kleeft blijkbaar nog steeds aan dit materiaal. Nadat verschillende grote herdrukprojecten waren aangekondigd en om onnaspeurbare redenen geen doorgang vonden, verscheen eindelijk een selectie van 100 teksten in 40 dikke delen, maar dan wel in een officiële oplage van maar liefst 100 exemplaren. Bij een bevolking van 1,2 miljard hoeft er dan geen angst te bestaan voor de ongewenste verspreiding van gevaarlijke ideeën, vooral ook niet als een belangrijk deel van de oplage wordt afgezet in het buitenland. Daar kunnen die ideeën blijkbaar minder kwaad.

    • Wilt Idema