Grenzeloze ontwerpzucht; In de Utrechtse universiteitswijk De Uithof dansen de gebouwen

De Hogeschool voor Economie & Management en het kortgeleden geopende Educatorium in Utrecht zijn toonbeelden van hoogwaardige architectuur. Twee avontuurlijke gebouwen waar je met genot doorheen dwaalt.

OP DE vertrouwelijke toon die bij een confidentie hoort, zegt de man achter de balie: “Dit gebouw maakt je een beetje gelukkig. Ik zit nu vijfendertig jaar in het HBO en heb nooit eerder meegemaakt dat een gebouw een geluksgevoel kan veroorzaken. Het is zó mooi.”

De hoge rechthoekige balie met een schuin, helblauw bovenblad is 'de receptie' van de Hogeschool voor Economie & Management in de Utrechtse universiteitswijk De Uithof. Het kasbah-achtig ensemble werd in het begin van de jaren negentig ontworpen door het architectenbureau Mecanoo - voor dit project tekenden Eric van Egeraat, Francine Houben en Chris de Weijer - en twee jaar geleden in gebruik genomen. Achter een eindeloze, glazen façade laat het onderwijscomplex zich inderdaad beleven als een kleine, opwindende stad. Naast de bibliotheek en de kantine domineren vier collegezalen de vleugel aan de straatzijde. De vier gesloten, ongelijkvormige volumes waarin de zalen zijn ondergebracht, worden door kolommen opgetild en steken stuk voor stuk hun hoofd door het glazen dak. Door het transparante gevelscherm is van buitenaf de robuuste constructie van het binnenwerk zichtbaar, hetgeen een hoogst intrigerende verschijningsvorm oplevert. Eenmaal binnen, voorbij de idolate receptionist, ontvouwt zich een overweldigend architectonische schouwspel. De vier zalencontainers zijn geheel verschillend van karakter. De grootste is bekleed met blauwe metalen panelen. De tweede steekt in een huid van licht stucwerk dat is opgesierd met immense letters in de typografie van een pakkist. Nummer drie moet genoegen nemen met een uiterlijk van western red cedar schrootjes en de vierde is verpakt in veredeld kippengaas, zoals onbehandeld strekkenstaal er uitziet.

Achter het zalenfront valt het gebouw uiteen in vier lange vleugels waardoor de plattegrond nog het meeste lijkt op die van een kopstation. Tussen de 'perrons', die overigens niet recht lopen - de voorhoede-architectuur van de jaren negentig loopt zelden recht - liggen drie verschillend gestemde binnenhoven waarop talloze ramen uitzicht bieden. De waterpatio en de Zentuin fungeren als driedimensionale schilderijen van stilte en inkeer, uitsluitend bedoeld om er uit studiezalen en werkkamers naar te kijken. Alleen het middelste binnenhof, de jungle-patio, is toegankelijk. Boven een compact, groen oerwoud met hoog opgeschoten bamboe vormen bruggen en stalen roostervloeren een zwevend verbindingsnet tussen de twee middelste vleugels met de kleinere leslokalen. Omdat de bodem, heel decoratief, is bedekt met houtsnippers mag er in en boven de jungle niet worden gerookt. Desondanks is deze exotische luchtplaats bij de studenten zeer geliefd.

Dat de man achter de balie van 'zijn' onderwijsgebouw een beetje gelukkig wordt, is heel begrijpelijk. Het is een genot om er doorheen te dwalen. Er komt geen einde aan de spectaculaire collectie architectonische beelden, aan de doorkijken en uitzichten, onder andere over het idyllische, zuidwestelijk polderlandschap. Niets hebben de ontwerpers aan het toeval overgelaten, geen binnen- of buitengevel is hetzelfde, elk onderdeel heeft esthetisch toelatingsexamen gedaan.

DUBBELZINNIGHEID

Het gebouw vertoont een meeslepende combinatie van het 'basale' - in architectuurjargon verdringt dit woord het gedurende lange tijd populaire 'banale' - en van sophistication. Geraffineerd vertoon van deze dubbelzinnigheid is in de hedendaagse bouwkunst een stijlmiddel waarmee de conventionele schoonheidsbegrippen te lijf worden gegaan. De architecten van Mecanoo beheersen de vaardigheid om de confrontatie tussen ruwe en verfijnde oplossingen, tussen kostbare en goedkope materialen een geheel eigen aantrekkingskracht te geven. Daarbij is het jammer dat het gebouw in zijn totaliteit de indruk wekt of de ontwerpers door hun eigen vaardigheid in een roes zijn geraakt. Uit hun creatie spreekt zo'n grenzeloze ontwerpzucht dat zelfs de Zentuin niet in staat is om het oog van de bezoeker tot rust te brengen.

Tot een paar weken geleden was het faculteitsgebouw voor Economie & Management op het universiteitscentrum De Uithof verreweg het meest bezienswaardige voorbeeld van hoogwaardige, hedendaagse architectuur. Met het 'Educatorium' dat op 20 oktober door minister Ritzen werd geopend, is er een minstens even interressant bouwwerk van avantgarde-architectuur bijgekomen. Het werd ontworpen door het zo langzamerhand legendarische Office for Metropolitan Architecture (OMA) dat onder bezieling staat van Rem Koolhaas. In 1986 maakte Koolhaas een stedenbouwkundige visie voor De Uithof, een schets die in 1989 werd gevolgd door een masterplan voor dit landelijke gebied dat ten oosten van Utrecht ligt ingeklemd tussen de A27 en de A28.

Met de ontwikkeling van De Uithof tot een volwassen 'campus' krijgt 'het principe van de bi-locatie' steeds meer vaste vorm. Tot ver in de jaren tachtig leefde het idee om de complete universiteit van Utrecht naar De Uithof te verhuizen. Gelukkig is dit onzalig voornemen tijdig verlaten en heeft men besloten om de academische gemeenschap zowel in de oude binnenstad als in het polderland te huisvesten. De alpha-faculteiten hebben het natuurlijke voorrecht om in de binnenstad te blijven en zijn hier gevestigd in historische panden rond het Janskerkhof en het Domplein met het oude Academiegebouw. De bèta-medische en gamma-wetenschappen zijn voor De Uithof bestemd waar het Academisch Ziekenhuis Utrecht, het Wilhelmina Kinderziekenhuis en de omvangrijke faculteit diergeneeskunde meer dan de helft van de bebouwing voor hun rekening nemen.

De Hogeschool voor Economie & Management en het Educatorium liggen aan weerszijden van de boulevard die het centrum van de 'groene fietscampus' doorkruist. De norse, onaandoenlijke architectuur uit de pionierstijd, dat wil zeggen de jaren zeventig, heeft nu gezelschap gekregen van de transparante, lichte gebouwen van de jaren negentig. Zo is hier een bescheiden stedelijk gebied ontstaan met winkels en recreatieve voorzieningen, dat zich zo langzamerhand ook als architectonische staalkaart laat beleven.

Ver vóór de opening was het multifunctionele Educatorium al een bedevaartsoord voor architectuurstudenten. De karakteristieke gevelkrul die in één magistraal gebaar de grote gehoorzaal in zijn greep houdt, had zich nog maar net afgetekend of de, vooral Japanse, architectuurpaparazzi drongen het kale kolommenwoud binnen op de plaats waar nu het restaurant voor ruim duizend bezoekers is ingericht. Wat de studenten vooral wilden ontdekken was het mirakel van de onafgebroken betonplaat, die in afwisselende rol van vloer en plafond het skelet van het gebouw vormt. Deze door kolommen gesteunde hellingbaan die op een gegeven moment wordt omgevouwen om de weg terug te nemen, geeft ongekende ruimtelijke vrijheden. Muren zijn niet meer noodzakelijk om het bouwwerk overeind te houden. Daardoor worden enorme glasvlakken mogelijk die ruimschoots werden toegepast en ervoor zorgen dat de openbare ruimte, de brede gangen en binnenpleinen baden in helder licht. De hoogglanzend geschilderde betonvloeren krijgen door het weerkaatste licht het karakter van stilstaand water, wat de monumentale transparantie van het weidse bouwwerk nog eens versterkt.

Hormoongestuurd

Volgens het programma moest het Educatorium drie tentamenzalen omvatten met plaats voor respectievelijk 150, 200 en 300 studenten en twee gehoorzalen met 400 en 500 plaatsen. Het multifunctionele karakter van het onderwijsgebouw komt duidelijk tot uitdrukking in de omschrijving van de eisen die aan de gehoorzalen worden gesteld: “Zij moeten bestendig genoeg zijn om aanvallen van hormoongestuurde eerstejaarsstudenten te kunnen weerstaan, en waardig genoeg om indruk te maken op een internationale delegatie van kernfysici.”

Is het de bij OMA werkzame projectarchitect Christophe Cornubert (Los Angeles, 1963) gelukt om zowel een functioneel als een representatief bouwwerk te maken? De tentamenzalen ogen, vooral door hun omvang en de slagorde-opstelling van het kale meubilair, op een bijna theatrale manier, spartaans. Het bekoorlijke uitzicht door enorme ramen op de uitlopers van de botanische tuinen aan de overkant van de Leuvenlaan, moet ook bijzonder kwellend zijn voor elk tentamenslachtoffer dat moeite heeft met de stof. Zo beschouwd is de functionaliteit van de tentamenzalen in orde.

Dan de representativiteit. Als 'representatief' in dit geval wordt opgevat als kenmerkend voor de stand van zaken in de mondiale avantgarde-architectuur, dan moet de internationale delegatie van kernfysici wel erg ongevoelig en stekeblind zijn, wil deze niet van het Educatorium onder de indruk raken. Vooral in ruimtelijk opzicht is het een onvoorstelbaar avontuurlijk gebouw waar je met stijgende opwinding doorheen dwaalt als door de foyers en trappenhuizen van een immens theater. Net als bij het faculteitsgebouw voor Economie & Management geldt hier dat de waaier van de gebruikte materialen zich uitspreidt van goedkoop tot kostbaar. In het Educatorium zijn de extremen echter nog sterker, het kippengaas is niet veredeld en het marmer dat bij de entree en in het restaurant werd toegepast, komt uit de beste groeven van Iran.

Detailering en afwerking door Cornubert zijn, geheel in de traditie van Rem Koolhaas, ongeïnteresseerd en slordig. Vaak is niet eens de moeite genomen om de multiplexbekleding van trappen en wanden behoorlijk recht af te zagen. En zelden sluiten verschillende materialen goed op elkaar aan. Maar tegenover deze baaierd van kleine visuele tekortkomingen staat zo'n indrukwekkende architectonische creatie, dat men een scheef gezaagde houten trede voor lief neemt.

    • Max van Rooy