Film als slagveld van emoties; SAMUEL FULLER 1911-1997

“Een film is een slagveld: liefde, haat, geweld, actie, dood - in één woord: emotie”, zo poneerde Sam Fuller voor de camera van Jean-Luc Godard in Pierrot le fou (1965).

Het was een van de vele keren dat de flamboyante, apodictische en schijnbaar niet kapot te krijgen Amerikaanse regisseur, scenarioschrijver en producent optrad in films van jonge bewonderaars als Godard, Wenders en de broers Aki en Mika Kaurismäki. Donderdag overleed Samuel Fuller, 86 jaar oud, in zijn huis in Los Angeles. Kort geleden was hij teruggekeerd naar zijn geboorteland. Vanaf 1982, toen zijn film White Dog over tegen zwarten opgehitste honden van racisme beschuldigd werd, verbleef Fuller in Frankrijk. Daar genoot hij de status van een volbloed-filmauteur, groot geworden in de traditie van de Amerikaanse B-film, en nooit te beroerd om trekkend aan een buitengewoon grote sigaar met donkerbruine bulderstem de hypocrisie van de wereld aan te klagen. Het mooiste, meest kenmerkende Fuller-citaat is misschien wel zijn wens ooit een echte mitrailleur achter het filmdoek te plaatsen om het publiek met een flink schot wakker te schudden.

Fuller, op 12 augustus 1911 in Worcester, Massachusetts geboren, werd op zijn dertiende krantenverkoper en op zijn zeventiende de jongste misdaadverslaggever uit de geschiedenis van de New York Journal. Vanaf 1936 zou hij zijn gedetailleerde kennis van de schemerwereld van kruimeldieven, gangsters, pooiers en hoeren gebruiken voor het schrijven van scenario's van talloze B-films. Gemobiliseerd in 1942 in de Eerste Infanteriedivisie zag Fuller zijn inktzwarte wereldbeeld bevestigd en verhevigd worden in Noord-Afrika, Sicilië en op Omaha Beach. Na een regiedebuut in 1949 (de western I Shot Jesse James) maakte Fuller met grote regelmaat zelf films, waarin autobiografische ervaringen verwerkt werden: over de 'hardboiled' journalistiek in Park Row (1952), over de misdaad in Pickup on South Street (1953) en Underworld USA (1963) en over de oorlog in Steel Helmet (1950), Fixed Bayonets (1951) en vooral het portret van zijn eigen divisie, The Big Red One (1980). De meest bizarre en bijzondere film was Shock Corridor (1963), een grimmige bijna-undergroundfilm over een journalist die zich op laat sluiten in een psychiatrische kliniek om met zijn verslag de Pulitzerprijs te winnen.

Het was geen wonder dat de filmers van de Nouvelle vague Fuller omarmden: niet alleen was zijn stijl herkenbaar en inventief, maar die stijl vormde ook een eenheid met Fullers consistente thematiek, dat mensen wolven zijn en zich slechts humaan kunnen gedragen, als ze zich rekenschap geven van hun vermogen tot het allerslechtste. Bijna alle Fuller-films werden gemaakt voor een laag budget en zien er zo groezelig uit als zijn visie. Fuller provoceerde graag en gretig, en leek dan altijd weer oprecht verbaasd te staan over de controverse die hij daarmee veroorzaakte.

Een aangenaam bijverschijnsel van Fullers permanente strijdvaardigheid was zijn eeuwige jeugd. Hij bleef vriendschap sluiten met steeds nieuwe generaties jonge filmmakers, zoals Alexandre Rockwell, voor wie hij in verschillende speelfilms hoofdrollen vertolkte, Jim Jarmusch, met wie hij naar Brazilië reisde om te praten over een daar door Fuller gedraaide, maar nooit voltooide speelfilm (Tigrero: A Film That Never Was Made, 1994), en Quentin Tarantino met wie hij optrad in het documentaire portret The Typewriter, The Rifle and the Movie Camera (1996). De Nederlander Thijs Ockersen maakte in 1979 de documentaire Samuel Fuller & The Big Red One.

Het fenomeen Fuller bevatte vele paradoxen: als verklaard communistenvreter en conservatief maakte hij in 1956 toch een western tegen de uitroeiing van de Indianen (Run of the Arrow). Hij was een poseur, maar nooit onoprecht. Fuller schopte open deuren in zonder voorspelbaar te worden: “De dood is de enige emotie die in ieder van ons, bewust of onbewust, aanwezig is, 24 uur per dag”. Hij leek onsterfelijk en wordt dat nu definitief, door zijn klassieke, minder bekende en in sommige gevallen nog nauwelijks vertoonde films.

    • Hans Beerekamp