Een gen voor rechts

Borst verdedigt in zijn column (W&O, 11 oktober) de opvatting van Amar Klar over linkshandigheid. De genetische grondslag voor 'handigheid' zal wel door niemand in twijfel worden getrokken, maar de verklaring van linkshandigheid door een niet werkend 'rechtshandig' gen lijkt toch een te zwakke basis om alle feiten te kunnen verklaren.

Wat Borst en Klar zich niet realiseren is dat ook bij rechtshandigen er een heel scala van vaardigheden is zowel voor rechts als links. Ook niet alle echt rechtshandigen zijn gelijk. De verklaring hiervoor mis ik in het stuk en zou op dezelfde argumenten moeten berusten als die voor linkshandigen.

Dat je linkshandigheid kunt afleren kan ik uit eigen ervaring ontkennen. Ik heb, daartoe op de lagere school gedwongen, rechts leren schrijven en heb dat zo goed en zo kwaad als dat ging voortgezet tot ik in de collegezaal van het ene moment op het andere overgestapt ben van rechts naar links schrijven toen ik ontdekte niet tegelijk te kunnen luisteren en rechts dictaat schrijven maar dat wel vlot kon als ik links schreef, ondanks het feit dat ik dit nooit had geoefend. Wel is het zo dat linkshandigen zich meer moeten aanpassen aan de rechtshandige wereld en daarom meestal vaardiger met hun handen zijn dan rechtshandigen.

'Handigheid' is overigens niet beperkt tot de mens, maar komt ook bij dieren voor, maar daar is de verdeling meer in evenwicht - meestal 1 op 1 - en is daarom minder opvallend. Hoe dat genetisch in elkaar zit is niet duidelijk daar het niet mogelijk blijkt door kruising de voorkeur in een of andere richting te verschuiven. Bij de mens blijkt over de hele wereld linkshandigheid in 10 tot 15 procent van de bevolking voor te komen en ook daar verandert dit percentage niet. Borst blijft ons een verklaring schuldig waarom bij defecte werking van het R-gen de werkelijke verdeling niet 1 op 1 wordt met een percentage linkshandigen van 25 procent, maar onveranderlijk ligt tussen die 10 en 15 procent. Het lijkt er veeleer op dat naast echte rechts- of linkshandigen er een meer neutrale tussengroep is waar deze eigenschappen minder uitgesproken zijn en dat daar de voorkeur wél te beïnvloeden is door de omgeving, iets wat zeker niet geldt voor de rechts- of linkshandigen.

Mijns inziens verdient het verschijnsel van ten minste 10 procent linkshandigen in een rechtshandig georiënteerde maatschappij meer aandacht. De plaatsing van veiligheidsknoppen en schakelaars kan voor linkshandigen ernstige problemen geven. Ontwerpers zouden rekening met deze bevolkingsgroep moeten houden. Er zijn kleinere groepen waarvoor we op de barricaden klimmen als ze gediscrimineerd blijken.

    • Dr. W.Th.J.M. Hekkens