DUIZEND UUR BAKSTEEN

PURE B-KLANTEN. Zo omschrijven Tom van Diessen en Erik van Alphen zichzelf. Ze zijn allebei zestien jaar, zitten in 5 VWO van het Willem II College in Tilburg en zijn al zeker vijf jaar gezworen kameraden.

Er zullen weinig leeftijdgenoten rondlopen die zoveel afweten van de oer-Hollandse baksteen als Tom en Erik. Met hun onderzoek naar de opslag van chemisch afval in bakstenen wonnen ze niet alleen de eerste prijs in de Nationale Wedstrijd voor Jonge Onderzoekers, maar werden ze onlangs ook nog derde in de European Union Contest for Young Scientists in Milaan. In november reizen ze met hun bakstenen af naar Leipzig waar ze Nederland zullen vertegenwoordigen op de Young European Environmental Research wedstrijd. Ze behoren tot de top van de jonge Europese onderzoekers. Hun bakstenenonderzoek werd in Milaan gekozen uit vijftig projecten, afkomstig uit 26 landen. “Ach, het voelt niet zo bijzonder”, zeggen ze. “We zijn vrij normale mensen.”

Tom en Erik kennen elkaar van de jeugdnatuurgroep en zitten al vijf jaar bij elkaar in de klas. Aanvankelijk leefden ze hun onderzoeksdrift uit op het slopen van oude radiootjes, maar toen ze dertien waren deden ze voor het eerst mee met de wedstrijd voor Jonge Onderzoekers in de categorie twaalf- tot vijftienjarigen. Met hun afvalpers wonnen ze toen een derde prijs. “Het was vooral heel erg leuk om mee te doen aan de wedstrijd zelf”, herinnert Erik zich. Een weekend lang met andere jonge onderzoekers onder één dak. Een grappige combinatie van “relaxed contact en concurrentie”, zegt Tom. De tweede keer dat ze meededen verliep minder succesvol. “Een afgang”, vinden ze nu. Tom en Erik hadden een gecomputeriseerde robotarm ontwikkeld. “Maar hij kwam niet helemaal uit de verf, want er zat een fout in de overbrenging.” Ze waren toen veertien jaar en de elektronica was nog net iets te hoog gegrepen. Bovendien gaf de jury te kennen dat robots 'wel leuk' waren, maar dat het nieuwe er wel af was.

Het idee om afvalstoffen in bakstenen te verwerken ontstond door een krantenbericht over een Tilburgs galvaniseer-bedrijf dat voor zijn efficiënte en milieuvriendelijke afvalverwerking in de prijzen was gevallen. Met het laatste beetje afval, bestaande uit de gevaarlijke en kankerverwekkende stoffen chroom en nikkel wist het bedrijf echter geen raad. Het werd opgeslagen in tonnen in de kelder. “En dat zou er over honderd jaar nog staan”, aldus Tom en Erik, die dat maar een vervelend idee vonden, te meer daar er overal in het land van dergelijke galvanumbedrijven staan die wellicht iets minder gewetensvol met hun afval omspringen. Toen de baksteen eenmaal in beeld gekomen was als mogelijke opslagplaats werd samen met docent Henri van Bergen, die natuur- en scheikunde doceert op het Willem II College, wat 'gebabbeld' over de aanpak van dit probleem. Ze bezochten Kema in Arnhem om uit te zoeken of er vergelijkbaar onderzoek was verricht. Dat leverde weinig concrete resultaten op.

Vervolgens legden ze contact met een steenfabriek, waar ze gastvrij een dag werden ontvangen en alle geheimen van de baksteen kregen onthuld. “Het is heel wat ingewikkelder om bakstenen te fabriceren dan we dachten”, aldus Tom en Erik. “Echt wel meer dan een homp klei in een mal duwen en in de oven schuiven.” Verrijkt door baksteenkennis en goede adviezen èn met enkele emmers klei, gingen Tom en Erik naar huis. Nu moesten ze nog aan de afvalstoffen van het galvanumbedrijf zien te komen. Dat kon, zo liet het bedrijf weten, maar er moest wel iemand van de school meekomen.

De Technisch Onderwijsassistent, TOA in schooljargon, begeleidde de twee leerlingen en stond ze ook later bij in de uitvoering van hun proeven. Het gif werd in een goed afgesloten emmertje veilig opgeborgen. De jongens verdiepten zich vervolgens in bouwstoffenbesluiten om te weten te komen wat er in een baksteen mag zitten en ontdekten dat er keurig beschreven proeven bestaan om te onderzoeken of bakstenen aan de gestelde eisen voldoen. Herfst- en kerstvakanties, alle weekends en vele avonden gingen op aan het drogen en fijnmalen van afvalstoffen, aan het roeren en mengen van de klei en het met de hand persen van ruim honderd baksteentjes, die volgens een nauwgezet en gecodeerd schema verschilden van samenstelling. Ze werden op school in de keramiekoven gebakken op verschillende temperaturen.

Uit een plastic doosje halen Tom en Erik een tiental baksteentjes zo groot als een handpalm te voorschijn. “Het moeilijkst was nog wel het testgedeelte nadat ze gebakken waren”, vertellen ze. Ze onderzochten geheel volgens de voorschriften van het bouwstoffenbesluit of het afval niet uit de bakstenen zou lopen. Daartoe werden de stenen twee maanden in gedestilleerd water met salpeterzuur gelegd. De analyse van het water na die twee maanden leverde een ontzettend ingewikkelde berekening op die zelfs docent Van Bergen deed duizelen. Iedere baksteen kreeg een cijfer, en ten slotte bleek dat de steentjes die voor vijftien procent uit chroom/nikkelafval bestonden geheel voldeden aan de eisen.

Daarnaast onderzochten zij met weer andere proeven welke invloed zure regen op lange termijn zou hebben, en wat er gebeurt als de stenen vernietigd worden. Ook de vorst- en vochtbestendigheid werd onderzocht en ze keken naar het vrijkomen van schadelijke gassen tijdens het bakproces. Ten slotte hebben ze de gegevens nog eens geëxtrapoleerd over honderd jaar. “Alles bij elkaar zijn we er misschien wel duizend uur mee bezig geweest”, schatten Tom en Erik, “maar het bleef leuk”.

Ze schreven een rapport van veertig pagina's over hun onderzoek. Voor de Europese wedstrijd in Milaan dikten ze het in tot twintig pagina's en de docente Engels vertaalde het voor hen. In de Nederlandse Jonge Onderzoekers wedstrijd dongen ze mee in de categorie zestien- tot twintigjarigen. Erik was net twee dagen zestien, maar Tom zat nog drie weken voor zijn zestiende verjaardag. “In deze categorie kom je echt verder”, zegt Tom. “Je wordt serieuzer genomen en er zijn grotere prijzen. Bovendien was het een sterk punt dat we zo jong waren.” In Milaan kwamen ze als jonkies ineens in een 'grote-mensenwereld' terecht. Hotels, diners, culturele uitstapjes, hoogwaardigheidsbekleders en een pak met stropdas. Ze maakten kennis met andere jonge onderzoekers die bijvoorbeeld uitgezocht hadden hoe de spijsvertering van een vleesetende plant werkt, maar ook met andere culturen. “We hoorden van Hongaarse jongens hoe zij meisjes versieren.”

De wedstrijden hebben het onderzoekersinstinct bij Tom en Erik flink aangewakkerd en het onderzoeksproject heeft hen laten kennismaken met de leuke, spannende kanten van natuur- en scheikunde. “Het was praktisch, uitgebreider dan de basisstof en we waren er zelf mee aan het werk”, concluderen Tom en Erik. Zij hebben het zelf interessant gemaakt, maar eigenlijk zou de school dat moeten doen. “Nu is natuurkunde voor veel leerlingen een droog en zwaar vak.”

Of er ooit nog wat met hun bakstenen met chemisch afval gaat gebeuren weten ze niet. “De toekomstige generatie zou een milieuprobleem minder hebben”, zeggen ze. “Maar om daar nu een speciale fabriek voor te bouwenA gaat misschien wat ver.”

    • Michaja Langelaan