De schreeuw

Er zijn beroemde schilders met een uitgestrekt oeuvre waarin één stuk nog meer met de naam van de meester verbonden is dan de rest.

Het bekendste voorbeeld is Rembrandt met zijn schuttersvendel van Frans Banning Cock. De kenners zijn het er over eens dat het niet zijn mooiste schilderij is, maar ook al weet je verder niets van Rembrandt, dan weet je in ieder geval de naam van dit vervaarlijke doek. Hoe komt dat? Misschien doordat het de mooiste jaren van de vaderlandse geschiedenis vertegenwoordigt. De Gouden Eeuw was in volle gang, de Spanjaarden waren verslagen en Amsterdam was de belangrijkste stad op aarde. Dat hoort allemaal bij dit schilderij.

Noem nu een schilderij van Paulus Potter. De Stier. Van Van Gogh. De Aardappeleters. Van Leonardo Da Vinci: de Mona Lisa. Van Picasso: Guernica. Van al die schilders is er mooier werk - het hangt ervan af wie je spreekt - maar in ieder geval is dit niet 'het mooiste'. Misschien zouden ze verwonderd zijn als ze hoorden wat het nageslacht heeft uitgezocht. Waarom dat? Een raadsel.

Ik kom terug op de ontwikkelingen op de beurs. Duizenden en nog eens duizenden kleine beleggers, die in jaren niet aan Hongkong of Thailand hadden gedacht, laat staan aan de toestand van de economie in Zuidoost-Azië, zagen opeens dat de koersen kelderden. Hun koersen. Van de grote crisis van 1929 heeft iedereen die bewust in deze eeuw leeft, weleens gehoord; zeker mensen die beleggen. Wat de economie van Zuidoost-Azië met hun kleine maar gezond groeiende kapitaaltje te maken heeft, wisten ze niet, en het is best mogelijk dat ze het ook niet willen weten. Maar paniek zien doet paniek krijgen. Op de voorpagina van twee grote New-Yorkse ochtendbladen stond maandag een man die schreeuwde. Een klassiek schreeuwende mond, wagenwijd, met over de strak gespannen wangen heenkijkend de angstige ogen. Een schreeuw op de beurs.

De kleine beleggers hingen aan de radio, zoals dat altijd gebeurt als de toestand in de wereld benard begint te worden. Uit het diepe gat van een opgebroken straat, aan de ingang van een groot gebouw waar een paar kantoorklerken fanatiek stonden te roken, uit de auto's die voor het rode licht wachtten, overal de stemmen uit de radio die over het doen en laten van de Dow Jones vertelden. Radiostemmen kunnen het hunne tot de toestand in de wereld bijdragen. Deze stemmen zeiden in hun snelheid van spreken, hun intonatie, en vooral hun toonhoogte: daar komt paniek! Er is al paniek. Of bijna! Ze hadden er zin in. Uit de radio kwam de lust van de paniek. Onder zulke omstandigheden wint de radio het met golflengten van de televisie. Veel later dan anders bleven de meeste lichten in de huizen en de wolkenkrabbers van de wereldstad aan. Wat zou er in Hongkong gebeuren, vroegen de vrouwen aan mannen voor ze gingen slapen. De mannen wisten het ook niet.

Had de beurs in Hongkong zich vergist? Had iemand anders zich vergist? Kan een analist op de beurs zich vergissen? De volgende ochtend stond op de voorpagina van twee ochtendbladen weer een foto van een schreeuwende man, een andere. Boven zijn wangen uit keken vrolijke ogen. Hij zwaaide met een stuk papier, een koerslijst. Wat er in Hongkong was gebeurd, begreep nog steeds niet iedereen, maar met de koersen was het weer in orde. Op het ogenblik dat ik dit schrijf, opnieuw niet. Overal staan de televisies weer aan, maar nu op de gewone verschrikkingen van de dag. NBC heeft juist een korte documentaire over de tapijtkever uitgezonden, een angstaanjagend beest als het duizend keer zo groot zou zijn, maar je kunt het met het blote oog niet zien. Hongkong van hier af ook niet. Liever duizend tapijtkevers dan één Hongkongse beurs, als je een kleine belegger bent. De paniek is voorbij.

Blijft het vraagstuk van de schreeuw. Morgen, 31 oktober, voor u gisteren, is het Halloween (geweest). De kinderen hebben een pompoen uitgehold, gaten in de schil gemaakt, een kaarsje in het binnenste, en ze vinden het verschrikkelijk griezelig. Ze mogen laat opblijven, met de griezelige pompoen. Maar een feestdag voor kinderen blijft op de vrije markt geen feestdag voor kinderen. De grote mensen gaan elkaar op hun manier aan het schrikken maken, de een nog geraffineerder dan de ander. Je kunt griezelpakken kopen voor een paar honderd dollar, of een eenvoudig masker. Een paar jaar geleden was het alien-masker in de mode. Als je de film niet had gezien dacht je: een soort kwijlend paard met krokodillentanden. En masse gaan de mensen de straat op. Het is een gedrang waarvan de surrealisten en Hiëronymus Bosch niet hebben gedroomd. Maar zoals in Nederland met carnaval: er zijn ook kwaadwilligen op pad. Vandaar dat er in New York een paar duizend agenten extra op de been zijn.

Voor de smalle beurs zijn er altijd betaalbare maskers à la mode te koop. Zo kom ik terug op de beroemde schilders en de beurs. Dit jaar is het masker ontleend aan het schilderij van Edvard Munch, De Schreeuw. Duizenden mensen, onder wie ongetwijfeld veel kleine beleggers, gaan morgenavond de straat op met De Schreeuw voor hun gezicht. Munch heeft het geschilderd in 1893. Meer dan een eeuw later is het een uitdrukking van de hedendaagse toestand.

    • S. Montag