De echo van de bijenkoningin

De bijenkoningin heeft - omringd door mannen - het rijk alleen. Queen bee syndrome was dan ook de naam die begin jaren zeventig in Amerika werd gegeven aan vrouwen die het hadden gemaakt in een of ander mannenbolwerk van de samenleving en zich vervolgens niets meer gelegen lieten liggen aan het emancipatiestreven van hun zusters. Sommigen werden zelfs militant anti-feministisch.

Carol Travis was een van de eersten die de psychologische mechanismen in kaart brachten die dit sociale verraad konden verklaren. Daarin zijn twee soorten motieven te onderscheiden. De ene soort heeft te maken met de bijzondere positie als zodanig. Om erbij te horen identificeerden de paar tot de top toegelaten vrouwen zich snel met de opvattingen van de mannen over de emancipatiewensen van vrouwen in het algemeen. Bovendien bevonden ze zich in de comfortabele positie van witte raaf. De mannen hadden immers belang bij hun aanwezigheid om hun eigen vooruitstrevendheid te tonen en lieten niet na hun waardering te laten blijken voor deze zeldzame vrouwen. Van hun kant gaven de bijenkoninginnen hun uniekheid niet graag prijs door voor veel meer vrouwen de kans te helpen vergroten erbij te komen.

De tweede groep motieven had meer te maken met de persoonlijkheid van de betreffende vrouwen. Meestal hadden zij hun toppositie bereikt door keihard werken en vrijwel altijd combineerden zij werk en gezin. “Denken als een vent, maar oh, zo vrouwelijk.” Zij waren dan ook rijkelijk getalenteerd en uiterst vitaal. Daardoor hadden zij eventueel tegenwerkende omstandigheden kunnen overwinnen. Het opvallende was echter, dat het aandeel van hun aanleg door henzelf niet werd onderkend. Als er op enigerlei wijze aanspraak werd gemaakt op hun solidariteit met andere vrouwen was hun commentaar steevast een variant op: 'Het ligt aan de vrouwen zelf als ze niet bereiken wat ze willen. Wat ik kan, kan een ander ook'.

Queen bees zijn er niet zo veel meer, het is voor vrouwen niet meer zo uniek in een toppositie terecht te komen. Maar de laatste tijd meen ik een echo te horen van hun 'Wat ik kan, kan een ander ook'.

Er doet een nieuw sociaal-maatschappelijk ideaal de ronde, de zogeheten employability. Het houdt in dat iedereen in zijn jeugd naast beroepsscholing ook een persoonlijke, cognitieve en sociale vorming krijgt, waardoor een attitude ontstaat van een leven lang willen blijven leren. En dat zal nodig zijn, omdat iedereen in de toekomst flexibel inzetbaar moet zijn op de arbeidsmarkt. Vaste banen, laat staan banen voor het leven zullen verleden tijd zijn. Wie werk heeft zal voortdurend moeten kunnen inschatten 'hoe lang nog?', en alert moeten zijn op andere - ook weer tijdelijke - arbeidsmogelijkheden. Iedereen zal ook steeds moeten inspelen op nieuwe ontwikkelingen, bezig moeten zijn met bijleren. In termen van werkgevers heet het, dat iedereen in zijn eigen inzetbaarheid moet 'investeren'. Werknemersbonden spreken over “de werknemer als zijn eigen manager” en de politiek houdt het erop dat “iedere burger meer en meer zelf verantwoordelijk zal worden gesteld voor zijn of haar deelname aan het arbeidsproces”.

De impliciete gedachte bij de sprekers - of zij nu Kok, Boonstra of Wijers heten - is dat zo'n flexibele, innoverende attitude iets is wat een mens kan leren. Geen moment wordt zelfs maar overwogen of hier misschien grote aanlegverschillen in het geding zijn.

Dat is des te opmerkelijker daar aanleg volop in de belangstelling staat. Het weekblad Elsevier van vorige week: “Het mag weer in Nederland. Vragen of misdadigers andere hersenen hebben”. En hoogleraar psychologie Michon wordt geciteerd die zegt dat “je je kop in het zand steekt als je niet erkent dat er een biologische basis is voor gestoord gedrag en criminaliteit”.

Er wordt dus een beetje met twee maten gemeten. Als het om het lelijke en slechte gaat, wordt de mogelijkheid van een genetische aanleg nu geaccepteerd, evenals de machteloosheid van de betreffende persoon ten aanzien daarvan. Maar gaat het om neutrale of mooie eigenschappen, zoals intelligentie, flexibiliteit, innoverend vermogen, dan is het louter eigen inzet en verantwoordelijkheid wat de klok slaat. Lang niet iedereen zal echter aan de eisen van de nieuw bedachte employability kunnen voldoen. Misschien zelfs de meerderheid wel niet. Dat is geen kwestie van gemakzucht doordat men te lang door sociale voorzieningen is verwend, maar dat komt doordat niet iedereen naar aard en aanleg dynamisch is.

Wie zelf door aanleg in staat is geweest lerend, zich veranderend en vernieuwend carrière te maken, hetzij bij de overheid, hetzij in het bedrijfsleven, moet oppassen zichzelf niet te veel als maatstaf te nemen.

Wat ik kan, kan een ander ook, zeiden de bijenkoninginnen uit de jaren zeventig en de bazen uit de jaren negentig zeggen het hen na.

    • Rita Kohnstamm