Crisis brengt Tokio in dwangpositie

De recente financiële crisis in Zuidoost-Azië vergroot de noodzaak tot stimulering in Japan. Ook voor Europa en de VS is een opleving van de Japanse economie belangrijk. Politieke tegenstellingen in Tokio maken een oplossing moeilijk.

TOKIO, 1 NOV. De Japanse regeringspartij is wanhopig op zoek naar maatregelen om de economie op te krikken. Sinds een BTW-verhoging in april blijkt de particuliere consumptie in het volgende kwartaal met 5,7 procent te zijn gezakt en het bruto binnenlands product met 2,9 procent gekrompen.

De laatste maanden is ook de export naar de Zuidoost-Aziatische groeimarkten ingezakt als gevolg van de forse waardevermindering van de lokale munten, die Japanse exportproducten een stuk duurder heeft maakt.

De beurs van Tokio is in navolging van de Zuidoost-Azië ingezakt, zij het minder extreem dan elders in de regio. Maar zoals de grootste Japanse krant deze week schreef: “Het kabinet valt als de beursindex onder de 15.000 punten zakt, zo zegt men al in kringen rond de beurs.”

Afhankelijk van de bank ligt rond dit index-cijfer het kritische punt waarop de balanswaarde van het eigen aandelenbezit van banken te laag wordt. Dit aandelenbezit vormt namelijk een deel van het verplichte eigen vermogen dat zij tegenover uitstaande leningen moeten aanhouden. Toen de index enkele jaren geleden tot dat niveau zakte, heeft de overheid naar verluidt financiële overheidsinstellingen opdracht gegeven effecten aan te kopen om de koersen te ondersteunen. Vandaag sloot de index op 16.458, zo'n duizend punten lager dan de sluiting een week geleden. In de gouden jaren van de 'zeepbel' rond 1990, ontstaan door een leningenhausse in met name de onroerend-goedsector, stond de index ooit rond de 40.000 punten. Schattingen van particuliere onderzoeksinstituten voor de Japanse economische groei van het lopende jaar liggen nu tussen de nul en één procent, een enkel instituut verwacht zelfs een krimping van een half procent.

Na een rooskleurige groei van 3,5 procent in 1996 is de Japanse economie weer in een kwakkelstadium beland. De roep om maatregelen is in deze omstandigheden weer groot onder politici en de regering wil half november een pakket klaar hebben.

Na het uiteenspatten van de 'zeepbel' heeft de regering tussen 1992 en 1995 met zes stimuleringspaketten in totaal 67.000 miljard yen (1100 miljard gulden) aan overheidsgeld extra in de economie gepompt. Het geld is voor meer dan de helft aan publieke werken besteed en de effecten op de economie zijn inmiddels uitgewerkt.

Een herhaling van die eerdere pakketen lijkt in de huidige omstandigheden uitgesloten. Het overheidstekort beliep eind vorig jaar 7 procent van het bbp, of wel ruim twee maal het criterium van 'Maastricht'. Het ministerie van Financiën heeft dit jaar dan ook duidelijk gemaakt dat er wordt bezuinigd. Nu de btw-verhoging de particuliere consumptie zo sterk heeft gedrukt, roepen politici om belastingverlichting voor particulieren en bedrijven.

Daarnaast blijven LDP-politici een zwak houden voor de bouwsector - bouwbedrijven zijn belangrijke stemmenronselaars in de lokale kiesdistricten - en dus kwam de LDP gisteren met het idee dat de privé-sector nu maar in publieke werken als vliegvelden en havens moet gaan investeren. Hoe dat precies in z'n werk moet gaan zal nog worden onderzocht.

De grootste krant van Japan, de Yomiuri, concludeerde dat “de LDP vasthoudt aan oud economisch denken”. Eisuke 'Mr.Yen' Sakakibara, de spraakmakende plaatsvervangend secretaris-generaal van het ministerie van Financiën, zei op een congres in Tokio onlangs dat het bijzonder moeilijk is voor Japan om de geaardheid van een 'publieke-werken-staat' af te schudden, omdat er in de huidige economische structuur veel werkgelegenheid mee is gemoeid.

Toch is het modewoord voor een rooskleurige economische toekomst nog steeds 'deregulering', waarvan ook de aangekondigde 'Big Bang' in de financiële sector deel uitmaakt. Maar over de concrete inhoud ervan is in de LDP een felle strijd losgebrand.

De overheid financiert een groot deel van de publieke werken niet uit het normale budget maar met geld van de Postspaarbank. Dit overheidsinstituut is met ingelegd spaargeld à 213 biljoen yen (3.550 miljard gulden) de grootste spaarbank ter wereld. Het geld staat geheel ter beschikking van het ministerie van Financiën dat het geld doorsluist naar allerlei semi-overheidsinstellingen.

De adviescommissie inzake deregulering van de regering-Hashimoto, waarvan de premier zelf voorzitter is, stelde in een interimrapport deze zomer dat de postspaarbank moet worden geprivatiseerd. Een groot aantal parlementariërs is echter fel tegen dit plan. De meest uitgesproken minister in Hashimoto's kabinet, Junichiro Koizumi, deelde onlangs mee dat hij aftreed als de privatisering niet doorgaat.

Hashimoto staat nu voor de keuze de privatiseringsplannen door te voeren van de commissie die hij zelf voorzit of terugkrabbelen wegens het verzet van parlementsleden.

Als Koizumi vervolgens zijn dreigement tot aftreden uitvoert zou Hashimoto een grote politieke nederlaag lijden. Koizumi zei onlangs in een actualiteitenprogramma dat hij overtuigd is van de wil van Hashimoto om werkelijk te hervormen en de Postspaarbank te privatiseren.

Hashimoto zelf voegde onlangs journalisten toe, gevraagd om een reactie op het dreigement van Koizumi: “Genoeg is genoeg. Ik wil er niets meer over horen.” De commissie moet voor de jaarwisseling z'n eindrapport uitbrengen.