Chronisch ziek: duizend gulden extra aftrek

Vanaf volgend jaar krijgen chronisch zieken een fiscale tegemoetkoming. Die bestaat uit een aftrekpost van duizend gulden. Het onlangs door Staatssecretaris Vermeend (Financiën) ingediende voorstel kan in de Tweede Kamer op brede steun rekenen.

Vermeend vindt een extra aftrek op zijn plaats omdat chronisch zieken meestal jaar op jaar met extra financiële lasten te kampen hebben. De vraag wie chronisch ziek is, beantwoordt Vermeend op een simpele en daardoor ruwe wijze. Wie de afgelopen twee jaar belastingaftrek voor ziektekosten heeft gekregen, komt als chronisch zieke voor de extra aftrek in aanmerking. Dat geldt overigens niet voor mensen die ouder dan 65 jaar zijn en evenmin voor degenen die al de (even hoge) arbeidsongeschiktheidsaftrek krijgen.

Het karakter van de aftrekpost brengt met zich dat degenen die naar een hoog tarief belasting betalen, er meer voordeel van hebben dan degenen die bij een laag tarief blijven steken. Dat is een moeilijk punt voor Vermeends partij, de PvdA. Een andere kant van de zaak is dat chronisch zieken die de afgelopen jaren geen ziektekosten hebben geclaimd, de aftrek aan hun neus voorbij zien gaan. Men kan pas een beroep doen op de aftrek van ziektekosten als die uitstijgen boven een drempel die kan oplopen tot boven 10.000 gulden. Het gaat daarbij alleen om kosten die niet door een verzekeraar zijn vergoed. Veel mensen die met hun kosten nauwelijks boven de drempel komen, zien af van het claimen van de aftrek. Dat is immers veel werk bij een gering financieel belang.

Die afweging gaat zich wreken. De mensen die het aangaat, kunnen beter nu alvast contact opnemen met hun inspecteur dan wachten tot ze volgend jaar hun aangiftebiljet indienen. Misschien staat hun aanslag over 1996 nog niet definitief vast. Zelfs als dan wel zo is, kan men hem in beginsel nog wel bijstellen om alsnog de paar gulden aan ziektekostenaftrek te krijgen die de sleutel vormen voor het verkrijgen van de aftrek voor chronisch zieken. Om over 1998 voor die afrek in aanmerking te komen, moet over de jaren 1996 en 1997 aftrek voor ziektekosten zijn toegekend. De eerste keer dat men rechtstreeks met de aftrek voor chronisch zieken te maken krijgt, is bij het indienen van aangifte over 1998. Hoewel men die aangifte pas in april 1999 moet doen, is het belangrijk nu al te letten op de aftrek voor ziektekosten.

Ambtenaren willen nog wel eens op een formalistische wijze met de burgers communiceren. Bij de Sociale Verzekeringsbank (SVB), die de AOW uitkeert, besteedt men veel zorg aan de standaardbrieven. Die zijn daardoor juridisch perfect maar wel hoogst onpersoonlijk. Wat helder is voor juristen kan best een struikelblok zijn voor anderen. Een kwalificatie doe een AOW-er uit Katwoude ten onrechte in een brief van de SVB las, schoot bij hem zozeer in het verkeerde keelgat dat hij de Nationale ombudsman er bij haalde. De man had een boete van 150 gulden gekregen omdat hij te laat had gemeld dat hij was gaan samenwonen. Dat samenwonen verlaagde met terugwerkende kracht de hoogte van zijn AOWuitkering. Maar daar nam hij niet zozeer aanstoot aan. De enkele gedachte dat hij als fraudeur gebrandmerkt stond, was hem te veel. “Ik heb nog nooit uit de staatsruif hoeven eten en heb vanaf de invoering van de AOW premies afgedragen”, zo stelde de man verontwaardigd. De argumenten zijn juridisch niet van belang maar de emotie is er niet minder om.

Ombudsman mr. Marten Oosting las de zakelijke, onpersoonlijke brief van de SVB woord voor woord door. Het was zo'n cleane brief dat er welbeschouwd geen spoortje verwijt in doorklonk, laat staan dat de suggestie van fraude was gewekt. De ambtenaar die de standaardbrief had verzonden, had zelfs wel enige sympathie voor de betrokkene gehad. Hij had de normale boete van 300 gulden verlaagd tot 150 gulden. Maar de nieuwe zakelijkheid van de SVB liet hem kennelijk geen ruimte om die coulance te melden. Dat had misverstanden kunnen voorkomen. De organisatie ligt daar overigens niet wakker van. De wet is hard en dan kunnen wij er ook niets aan doen als burgers zich gecriminaliseerd voelen, aldus de SVB. Zij liet de ombudsman weten dat ze de wet moet uitvoeren op de “wijze zoals deze wet met zich meebrengt”. Dit soort frasen zijn exemplarisch voor zowel het taalgebruik als de denktrant van het uitvoeringsorgaan. Beide zijn fout. Geen wet gebiedt om een geëmotioneerde burger op een kille afstandelijke wijze toe te spreken. De ombudsman toetst een brief evenwel niet op menselijke maar op juridische en grammaticale aspecten. Vanuit dat oogpunt is er niets mis met de benadering van het SVB.

Mr. Oosting verwerpt daarom de stelling dat het om een onbehoorlijke brief gaat en noemt de klacht van de bejaarde ongegrond. Diens sentiment tegenover de overheid zal er al met al niet beter op zijn geworden.

Geen wet gebiedt om een geëmotioneerde burger op een kille afstandelijke wijze toe te spreken.

    • Cees Banning
    • Aertjan Grotenhuis