Brede schouders, kwetsbare geest

Een grote, zware, sterke, maar onschuldige judoka is klaar om de wereld te veroveren. Wie durft het nog aan om met Dennis van der Geest (22) de mat op te gaan? 'Kom maar op, ik prop jullie allemaal in mekaar', zou hij willen roepen. Maar zoveel bravoure heeft hij niet. “Ik ben groot, maar ik ben wel onzeker.”

Brede schouders, een dikke nek en een groot hoofd. Groot en sterk ziet hij er uit. Voor wie hem nog niet kent is hij bedreigend als een reus die alles en iedereen verplettert onder zijn machtige gestalte en grijpgrage knuisten. Maar hij is echt niet zo gevaarlijk. Zijn ogen, zijn lach, zijn stem en zijn woorden verraden de onschuld van een jongen uit de Hollandse polder. Hij is niet meer dan een ondeugende jongen, een kwajongen die moeite heeft zich een houding te geven. Wat wil je ook met een lijf dat in korte tijd naar kolossale afmetingen is gegroeid? En wat moet je met een status die in korte tijd die van een kampioen heeft bereikt?

Bij zijn postuur past het bravoure en de allure van een ongenaakbare persoonlijkheid. Maar die houding past niet bij zijn karakter. Goed, in een jaar tijd is hij tweede van Europa geworden, derde van de wereld en met zijn maatjes van het Nederlands team zelfs eerste van Europa, maar dat is nog geen reden om buiten jezelf te treden. Natuurlijk zou hij wel eens lekker arrogant willen roepen: 'Kom maar op, ik prop jullie allemaal in elkaar.' Maar hij kan het niet. Zo is hij niet. “Ik kan mezelf heel zeker maken. Er uitzien als een onverslaanbare wereldkampioen. Maar zo ben ik niet. Ik ben groot, maar ik ben wel onzeker. Een judopartij winnen is al moeilijk genoeg. Daarin heb ik geen tijd om een beetje arrogant te doen.”

Een beetje arrogant doen, zoals Franse judoka's, een beetje de show maken, de borst vooruit, swingende tred, dat zou wel leuk zijn. Maar hij blijft liever nuchter. Dat is zijn grootste kracht. “Ik kan mezelf zijn. Ik voel dat ik iemand ben. Sterker nog: ik ben nu iemand. Al die grote, zware judoka's die vele kilo's zwaarder zijn en veel sterker dan ik, kan ik nu aan. Dat geeft een gevoel van zelfbevestiging. Ik hoef niet meer bang te zijn. Ze zijn nu bang voor mij.”

Hij geniet ervan over zichzelf te praten. Glunderend dist hij een paar mooie ervaringen op. Zoals die van vorig jaar in Parijs, toen hij met zijn club Kenamju in de Europa-Cupfinale de Franse kampioen versloeg. Heerlijk was dat. Van der Geest had zijn tegenstander nog niet op de mat gegooid of hij trok zijn judojasje uit en toonde in een triomfantelijk dansje zijn gespierde torso. “Even dat vreselijke chauvinistische Franse publiek laten zien wie ik ben. Misschien een beetje dom, maar toch wel lekker om te doen. Bovendien mag ik toch wel even laten zien hoe sterk en gespierd ik ben?”

Langzaam maar zeker wordt hij een bekende Nederlander. Een paar weken geleden zat hij naast Jack van Gelder en Mart Smeets in de studio van Studio Sport te glimmen, afgelopen donderdag zat hij in de RTL4-studio in zijn zondagse pak mooi en modieus te zijn bij Barend & Van Dorp. “Laatst stond ik bij een benzinestation. Hoorde ik ineens uit de omroepinstallatie: 'Hup Dennis, hup Dennis.' Toch gaaf, dat ze je herkennen. Ik wist nooit dat het zo leuk zou zijn. Kampioen worden dat zou prachtig zijn, dacht ik. Zoals Wim Ruska, van wie ik op mijn kamer een ingelijste foto heb hangen. Maar dat was een echte kampioen. Nu ben ik het al een heel klein beetje. Laatst toen ik derde van de wereld werd in Parijs, kreeg ik de bronzen medaille omgehangen door Ruska. Dat is toch te gek. De grote Ruska die mij feliciteert.”

Enthousiasme en dankbaarheid straalt uit zijn ogen. Aan de deur van huize Van der Geest wordt gebeld. Een bosje bloemen. Gefeliciteerd, AFC Ajax staat op het kaartje. Vreemd en verrassend, vindt zijn moeder. Maar Dennis heeft het verband snel gelegd. In de tijd dat hij niet judoot en niet studeert maakt wel eens deel uit van de tachtig man tellende veiligheidsbrigade in de Amsterdam Arena. Een vriend van hem heeft wat karateka's en judoka's benaderd voor zijn bedrijfje World Wide Security. “Net pak aan, stropdas, gastheer spelen en af en toe fouilleren. Verder niks. Ik ben correct. Voor mij hoeven ze echt niet bang te zijn.”

Wéér een judoka die zijn lijf en vechtkunst leent voor een rol als uitsmijter? Is dat niet het onvermijdelijke lot van elke zwaargewicht judoka? Van der Geest lacht verontschuldigend. “Ik weet het. Veel kampioenen zijn zo geëindigd of staan nog steeds aan de deur van een nachtclub of een disco. Maar dat is noodgedwongen. Ze kunnen niet anders. Ze hebben hun hele jeugd elke dag getraind, werden kampioen, maar verdienden er geen cent mee. Ik hoef dat niet te doen. Het gaat goed op school met mij. Ik zit op de Heao, commerciële economie, en ga straks misschien wel naar de universiteit.” Hij verwijst naar andere topjudoka's. “Bijna alle jongens studeren. Judoka's zijn toch andere types dan vroeger.”

Al vanaf zijn vierde jaar judoot hij. Vreemd is dat niet. De familie Van der Geest ademt judo. Vader Cor is bondscoach geweest en nu een succesvolle coach bij zijn Haarlemse club Kenamju. Zijn broertje Elco geldt als een groot talent. Toen Dennis nog niet wist wat hij kon en durfde op de judomat, had Elco al een indrukwekkende lijst van kampioenschappen bij elkaar gejudood. Dat stak Dennis natuurlijk wel. “Maar ik kon er ook gewoon geen hout van. Pas op mijn zestiende merkte ik dat ik meer kon dan ik dacht. Ik was te nuchter en te onverschillig. Een beetje faalangst was het ook wel. Want ik ging altijd op mijn kont.”

Maar op een dag werd Dennis van der Geest wakker en zei hij tegen zichzelf: 'Nu ga ik mensen straffen.' Zo heeft zijn clubkameraad en tegenwoordige bondscoach Louis Wijdenbosch de opstanding van de jonge, blonde god ervaren. Van der Geest verklaart: “Ik had genoeg verloren. Ik merkte dat er meer nodig was dan talent. Ik ging harder trainen en merkte dat ik tegenstanders steeds makkelijker gooide. Het was gewoon leuk om iemand op zijn rug te gooien. Ik ben niet zo'n vechter. Ik wil een tegenstander zo snel mogelijk en zo mooi mogelijk gooien. Dat is ook de charme van judo. Maar winnen doe je alleen als je wilt winnen.”

Noem hem geen killer, want dat is hij echt niet. “Zo'n bokser uit de Bronx die over lijken gaat, niet nadenkt, gewoon bezig is met winnen; desnoods gaat bij z'n tegenstander de kop eraf. Ik ben beschermd opgevoed. Ik heb het niet nodig gehad om altijd en overal te winnen. Ik ben geen straatvechter. Met nadenken kom je ook heel ver. Zo'n Ruska was een winnaar. Een jongen die heeft moeten vechten voor zijn bestaan. Op zijn zeventiende ging hij naar zee. Daar heeft hij geleerd zich te handhaven. Die kon ook zeggen: 'Jouw kop staat me niet aan, dus ga je er aan.' Die mentaliteit heb ik niet.”

Voordat de indruk mocht beklijven dat hij Ruska slechts een straatvechter vindt, haast Van der Geest zich te zeggen dat hij de wereld- en olympisch kampioen toch vooral bewonderde om zijn technische vaardigheden. “Hij was niet eens groot en zelfs niet zwaar, maar hij gooide al die zware reuzen op hun rug. Met die fantastische techniek, de o soto gari (zesde beenworp, red.) Ik ga nog wel eens bij hem trainen. Hij is al ver in de vijftig, maar als hij je beetpakt, dan sta je muurvast en gooit hij je. Dat is dan wel even schrikken.”

Schrikken is een sleutelwoord in zijn leven. Bang voor grotere en sterkere jongens te zijn. Op de training kan hij iedereen aan, maar in de wedstrijd wordt hij nog wel eens overmand door onzekerheden. Dan zien die grote, zware onbekende mannen er ook zo gevaarlijk uit. “Vroeger dacht ik: ik moet er zo snel mogelijk vanaf zijn. Ik wilde die gasten maar meteen gooien, dan hoefde ik niet langer bang te zijn. Hoe langer ik stond, hoe moeilijker het werd. Mijn vader zei: 'Niet doen, je hebt vijf minuten de tijd om ze te gooien, je kunt ook in de laatste minuut scoren, mat ze maar af, laat ze maar zweten, ze zijn net zo bang om te verliezen als jij.' Ik weet het nu: het is een tactisch spelletje. En ik ga het steeds beter begrijpen. De kans om te gooien komt altijd en dan moet je klaar zijn. Zondag in Rome op het EK landenteams moest ik in de finale de laatste partij winnen, anders werden we tweede. Nou,ik ben rustig gebleven en ik heb die Fransman gepakt. Ik heb nog nooit zo lekker gejudood.”

Zijn vader wordt er gek van, wanneer hij aan de rand van de mat zijn zoon staat te coachen. Wanneer Dennis de rust zelve lijkt, springt vader uit z'n vel. Maar de vaderlijke bemoeienis prikkelt wel. “Hij is al achttien jaar mijn coach. Ik weet niet beter. Ik heb wel eens midden in een partij tegen hem gezegd: 'En nou hou je je bek.' Dan was ik dat geschreeuw zat. Maar onbewust was ik toch kwaad geworden. En dat was nou net wat hij wilde. Er wordt veel gezegd over mijn vader. Dat hij te emotioneel is, zich overal mee bemoeit in het judo. Maar het is zijn passie. Hij is als coach enorm gegroeid. En je ziet het: zijn club, onze club Kenamju, is veruit de beste van Nederland. We werden met het Nederlandse mannenteam kampioen van Europa. Maar het was wel de Kenamju-ploeg met Huizinga en Bosse. Dus eigenlijk de ploeg van mijn vader.”

Hij ontkent dat z'n vader verantwoordelijk is voor zijn progressie. “Hij is een goede trainer en een prikkelende vader, maar vergeet niet dat ik een eigen wil heb. Ik doe waar ik zelf zin in heb. Ik ben laatst zelf naar de rechter gestapt om die plaats in de WK-selectie af te dwingen. Kom nou, ik was de beste, ik was tweede van Europa, jammer voor Danny Ebbers, maar ik en niet hij hoorde op het WK. En ik won het kort geding. En wie werd er derde op de WK? Nou? Ik dus! Nu wil de judobond in hoger beroep. Volgens mij begrijpen ze het niet helemaal. De rechter heeft de resultaten naast elkaar gelegd en gezien dat ik de beste was.”

Manhaftige taal van een kwetsbare kampioen. “Ik word een beetje driftig als er weer eens wat wordt geroepen over die mannen van Van der Geest. Toen ik in Parijs derde van de wereld werd, ben ik mijn vader in de armen gesprongen. Ik had de partij gewonnen. Maar iedereen moest weten dat ik wilde winnen voor mijn vader. Een man met zoveel succes die zo wordt miskend en afgezeken, verdient het om gezoend te worden.”

Misschien moet hij nog wat sterker worden, nog sneller, misschien een beetje zwaarder dan 110 kilo om alle nog zwaardere zwaargewichten ter wereld te kunnen vloeren. Misschien moet hij nog wat meer technieken leren, want de concurrentie is zijn techniek al aan het analyseren. Hij moet nog slimmer en vooral meedogenlozer worden. Over twee jaar zou hij op de Olympische Spelen een gouden medaille kunnen halen. Als olympisch kampioen terugkeren uit Sydney, zou dat niet heel mooi zijn? Zijn gezicht glundert weer eens. Hij pakt het laatste speculaasje van het schoteltje dat eens vol was. “Maar je kunt er ook in de eerste minuut van de eerste ronde uitliggen. Daar moet je altijd rekening mee houden. Vandaag ben je de kampioen van de toekomst, morgen de kampioen van heel vroeger.”

    • Guus van Holland