Zuid-Afrika's goud wordt duur betaald

De kelderende goudprijs is slecht nieuws voor Zuid-Afrika, de grootste goudproducent ter wereld. De mijnwerkers hebben er het meest last van: hoe lager de goudprijs, des te lager de lonen en des te minder werkgelegenheid. Terwijl hun werk sowieso hoogst riskant is.

Op 800 meter diepte stopt het ijzeren hijsbakkie. Elke morgen om half zes maakt Anton deze tocht naar het binnenste van de aarde, langs schacht 6 van de Durban Deep goudmijn in Roodepoort, vlakbij Johannesburg. Daarna reist hij vier kilometer met een gammel ondergronds treintje, om uit te komen op zijn werkplek: een mijngang van 60 à 70 centimeter hoog, waar kruipen de enige manier van voortbewegen is, met alleen het licht van de mijnwerkerslamp op zijn helm.

Anton, de man uit Lesotho die zijn geluk is komen beproeven in de goudmijnen van Zuid-Afrika, hanteert er de boor. Onder een hels lawaai en een waaier van boorwater baant hij zich een weg door de rotsen, op zoek naar het begeerde edelmetaal, dat door de natuur tussen het keiharde graniet is verstopt. Zijn collega's slaan met zware voorhamers houten wiggen tussen de wanden die zijn geboord. Zo banen de mijnwerkers zich een weg door de steenlagen, honderden meters lang, tot de goudader is uitgeput en op een andere plek een nieuwe moet worden aangeboord. Anton werkt zes dagen per week, vijftig in totaal, voor een maandloon van 1034 rand (ruim 400 gulden). Om tien voor twee 's middags mag hij weer naar boven, op naar het licht. Dan gaat de tweede ploeg naar beneden.

Siya eGoli, 'we gaan naar de stad van goud' plegen zwarte Zuid-Afrikanen uit alle windstreken al meer dan honderd jaar te zeggen als ze naar Johannesburg gaan. 111 jaar geleden vond ene George Harrison, een Australische goudzoeker, sporen van goud op de Langlaagte-boerderij van Roodepoort. Onder de oppervlakte bleek zich het rijkste goud-houdende rif te bevinden dat ooit op aarde is ontdekt. In de wijde omgeving van het zogenoemde Witwatersrand-gebied, waar op dat moment nog bijna niemand woonde, bleken de rotsen het meest geliefde van de metalen te bevatten. Johannes Rissik en Johannes Joubert, twee gevolmachtigden namens de president van de Zuid-Afrikaansche Republiek, Paul Kruger, kwamen poolshoogte nemen en vernoemden een nieuw te stichten stad naar zichzelf. Johannesburg was geboren en zou binnen korte tijd uitgroeien tot het belangrijkste goudcentrum ter wereld en dat is zij nog altijd. Zuid-Afrika bouwde zijn (ongelijkmatig over de bevolking verdeelde) rijkdom op rondom de goudmijnen. “De ogen van Marais begonnen te schitteren. Het was toch eigenlijk een mooi werk om uit deze ijzergrauwe rotsen het goud te halen. Zij waren weerbarstig, zij wilden haar schatten bewaren, maar het dynamiet zou het goudstof losscheuren uit haar ingewanden”, zo beschreef de Nederlandse auteur L. Penning aan het begin van deze eeuw in romantische bewoordingen het mijnwerk In de goudmijnen van Zuid-Afrika. De goudmijn mag een magische klank hebben en de delfstof een van de meest gewilde producten ter wereld zijn, het werk is verre van idyllisch. Een goudmijnwerker van nu doet zijn arbeid onder vrijwel dezelfde omstandigheden als zijn collega's van weleer: lange werkdagen in een warme, vochtige omgeving, met veel herrie, tegen een lage loon.

Vrijwel alle mijnwerkers zijn zwart, velen zijn afkomstig uit buurlanden als Lesotho, Swaziland en Mozambique. Het mijnmanagement en alle functies boven het niveau van gewone mijnwerker waren tot begin jaren negentig exclusief voor blanken. Maar dat verandert snel. In de top van enkele mijnhuizen hebben zwarte zakenlieden zich de afgelopen jaren een weg naar boven weten te werken.

Hoewel de veiligheid in de goudmijnen van Zuid-Afrika in belangrijke mate is verbeterd, blijft het beroep van mijnwerker gevaarlijk. In het verleden kostte elke ton gouderts één mijnwerkersleven, maar ook in 1995 kwamen nog 411 mijnwerkers om het leven, op een productie van 522 ton gouderts. Dat komt neer op 1,23 dodelijke ongelukken per 1.000 mijnwerkers. Na een jarenlange neerwaartse lijn betekende 1995 weer een stijging van het aantal ongelukken, in 1994 kwamen 357 mijnwerkers om het leven, op een productie van 583 ton.

“Het is een zeer vijandige omgeving”, zegt Llewellyn Kriel van de Kamer van Mijnen in Johannesburg. Durban Deep verloor onlangs ook een arbeider. Een stut begaf het, een wand stortte in en bedolf een mijnwerker uit Mozambique. “We hebben hem niet terug kunnen vinden”, zegt Piet Becker, de productiemanager van schacht 6. En in de mijn Hartebeestfontein, toebehorend aan het bedrijf Avgold stortte vorige week een mijnschacht in, waardoor zeven mijnwerkers omkwamen. In juli kwamen in dezelfde mijn al 18 mensen om het leven.

De vakbond, de National Union of Mineworkers (NUM) meent dat veel mijndirecties de veiligheid van de werkers als sluitpost beschouwen. George Molebatsi, de landelijk woordvoerder van de bond, zegt dat mijnhuizen nalaten de werkers op hun rechten te wijzen. Een mijnwerker heeft nu volgens wettelijke bepalingen het recht werk te weigeren als het te gevaarlijk is. De regering zegde in juli 26 miljoen rand toe voor de verbetering van de veiligheid in de mijnen, maar volgens Molebatsi is daarvan nog niets terechtgekomen. Hij waarschuwt de directies: “Onze zwarte mijnwerkers zullen niet blijven doorgaan de mijnindustrie te subsidiëren met hun leven.”

Niet alleen de druk op de goudprijs dwingt de mijnen van Zuid-Afrika ertoe te reorganiseren, ook de veranderde politiek-sociale omstandigheden en de toegenomen concurrentie uit het buitenland noopt tot ingrijpende maatregelen. De goudmijnwereld werd eind vorige week opgeschrikt door het bericht dat de Zwitserse centrale bank 1.400 ton van zijn goudreserves wil verkopen. Dat is bijna drie keer zoveel als de gehele jaarproductie van alle Zuid-Afrikaanse goudmijnen bij elkaar.

De belangrijkste mijnbedrijven van Zuid-Afrika zijn Anglo-American, met een marktwaarde van 46 miljard rand (1 rand is ± 43 cent) en Goldco, een fusie (per 1 januari aanstaande) tussen de bedrijven Gencor en Gold Fields, marktwaarde 17 miljard rand. Naar zuivere goudactiviteit is Goldco het grootste bedrijf.

De Durban Roodepoort Deep Groep (DRD), waarvan de honderd jaar oude mijn in Roodepoort deel uit maakt, is een van de kleinere bedrijven. Het beschikt over nog twee andere goudmijnen in de regio : Blyvooruitzicht en Buffelsfontein.

Het erts uit de drie mijnen heeft een betrekkelijk laag goudgehalte, om en nabij de 4 gram goud per ton erts, hetgeen de kosten van winning hoog maakt. Een daling van de goudprijs heeft dan ook directe gevolgen voor de lager gelegen delen van DRD's mijnen.

Piet Becker, de productiemanager van schacht 6, legt uit hoe de prijs van het goud interfereert met de winning ervan. Om het gouderts naar boven te kunnen halen, moet het bedrijf het grondwater wegpompen. Een hoge goudprijs betekent dat men zich kan permitteren het grondwaterpeil laag te houden.

De lage goudprijs heeft DRD al doen besluiten de diepste goudlagen te laten waar ze zitten - de kosten van winning zijn hoger dan de opbrengsten. 400 mijnwerkers zullen hun baan bij DRD verliezen. Roodepoort Deep en Blyvooruitzicht hebben het werk tijdelijk opgeschort, in afwachting van het stijgen van de goudprijs. Dit betekent dat nog eens 2.000 mijnwerkers tijdelijk geen werk hebben. De manager geeft niettemin hoog op over de arbeidsmoraal. “Er werken hier mensen met een lange staat van dienst, ze zijn zeer loyaal aan de mijn”, zegt hij. Het loon van een “goede mijnwerker” ligt volgens Beckers opgave op ongeveer 1.600 rand per maand, voor een 48-urige werkweek.

De NUM geeft een heel ander verhaal. Het kantoortje van de bond zit vlak bij de directie. Het kader spreekt elkaar aan met 'kameraad' en er hangen posters van de communistische partij: Workers Unite! De lokale NUM-leider, Bohlale Tsae, noemt Beckers versie van de arbeidsomstandigheden en de lonen “een grove leugen”. Tsae zegt dat Durban Deep sociaal gezien een slechte mijn is. “In 1994 sloot het bedrijf voor enige maanden wegens reorganisatie. Alle werkers werden ontslagen en naderhand werd niemand van hen weer in dienst genomen. Ze waren te goed georganiseerd.”

Het bedrijf is nadien met onderaannemers gaan werken en dat betekent, zo blaft Tsae, dat “de werkers nog meer kunnen worden uitgebuit”. Een mijnwerker bij Durban Deep kan, zo rekent hij voor, om precies te zijn 1.034 rand incasseren. Maar degenen die voor een onderaannemer werken moeten zich tevreden stellen met 752 rand. Volgens een gezamenlijke berekening van NUM en de Kamer van Mijnen moeten van elk mijnwerkersloon tien familieleden rondkomen.

Ondanks zijn radicale opstelling staat de NUM in de gehele mijnindustrie voor een geweldig dilemma. Ten behoeve van de gehele industrie is een rationalisatie dringend geboden. De arbeidsproductiviteit in de Zuid-Afrikaanse goudmijnen is veel lager dan die in concurrerende landen als Australië. Dit is in de eerste plaats toe te schrijven aan de grote diepte van het gouderts in Zuid-Afrika, veel dieper dan waar ook ter wereld. Het is verder een uitvloeisel van het (apartheids-)verleden, toen de arbeid goedkoop was en de mijnhuizen weinig investeerden in machines.

Diepte-investeringen zijn goed voor de mijnsector, maar betekenen verder verlies van arbeidsplaatsen. In tien jaar tijd zijn 300.000 arbeidsplaatsen verloren gegaan in de goudmijnen, de helft van het totale aantal. Verhoging van de productie is ook geen oplossing; het op de markt brengen van meer goud zal de prijs verder onder druk zetten en ook tot ontslagen leiden.

De NUM en de Kamer van Mijnen kwamen in september na moeizame onderhandelingen een principe-akkoord overeen, waarin een minimumloon van 1.150 rand is opgenomen. Een maximum aantal werkuren is niet vastgesteld, daaraan bestaat geen limiet. Bovendien is de overeenkomst niet bindend voor de industrie; enkele van de grotere mijnhuizen hebben verklaard het akkoord te zullen respecteren. Maar Llewellyn Kriel van de Kamer van Mijnen erkent dat mijndirecties het document naast zich neer kunnen leggen.

De Beatrix-mijn in de provincie Vrijstaat (de voormalige Oranjevrijstaat) toonde vorige week wat rationalisatie vermag. De mijn, onderdeel van Gencor, stond al bekend als een van de meest efficiënte in de bedrijfstak. Maar de mijnwerkers deden er nog een schepje bovenop en mijnden de afgelopen tijd 230.000 ton gouderts per maand. De toename was zo groot dat men niet in staat was alle erts naar boven te transporteren.

Anglogold, de goudtak van Anglo-American, zoekt het intussen in cursussen teambuilding. Het bedrijf heeft zogenoemde self-directed work teams (SDWT) opgezet. De achterliggende gedachte is dat de mijnwerkers meer moeten samenwerken en zich met hun product moeten vereenzelvigen. Onderdeel van de cursus is een bezoek aan een goudgieterij. Voor het eerst van hun leven zien mijnwerkers, van wie sommigen hier al meer dan twintig jaar werkzaam zijn bij het bedrijf, het product waarvoor ze diep onder de aardbodem hun arbeid verrichten. De twintig man sterke SDWT's hebben tot een verbazingwekkende productieverhoging geleid. In de Freegold-mijn van Anglo in Welkom, waar de teams zijn ingevoerd, mijnt een SDWT-lid nu gemiddeld 22 vierkante meter erts per maand, een stijging van 10 m ten opzichte van het verleden. Anglo beloont zijn nieuwe werkteams navenant. Elk lid van een SDWT krijgt ongeveer 750 rand bonus bovenop zijn salaris. De Kamer van Mijnen juicht de nieuwe initiatieven toe. Llewellyn Kriel zegt dat de goudmijnindstrie zich op die manier langzaam ontworstelt aan het verleden, al moeten er nog veel zaken worden geregeld. Zo mag er op zondag in de mijnen nog altijd niet met dynamiet worden gewerkt om de zondagsrust niet te verstoren. “De ANC-regering had beloofd dit te zullen veranderen, maar dat is niet gebeurd. In plaats daarvan heeft de regering het aantal nationale feestdagen van 4 naar 12 verhoogd. Ook op die dagen kunnen we geen goud zoeken.” Kriel maant ook tot nuchterheid. “Met mijnen is het heel simpel: het houdt een keer op; als er niets meer te mijnen valt vervalt het werk, daar is niets aan te doen.” Volgens schattingen beschikt Zuid-Afrika nog over grote reserves aan goud onder de grond, geschat op 37.000 ton, dat is veertig procent van de gehele wereldvoorraad en afgezien van de rentabiliteit en bij een gelijkblijvende productie goed voor zeventig jaar mijnwerk. De goudproductie bedroeg vorig jaar 493 ton, een waarde vertegenwoordigend van 21 miljard rand. Goud vertegenwoordigt nu nog maar de helft van de Zuid-Afrikaanse export van mineralen; in 1946 was dat nog 90 procent. Andere delfstoffen zijn sindsdien sterk opgekomen. Zuid-Afrika is nu ook wereldleider in de winning van platina, chroom, vanadium en aluminiumsilicaat, terwijl zijn sterke positie in de diamantindustrie onveranderd is. Het beleid van achtereenvolgende regeringen is ook geweest om de afhankelijkheid van goud kleiner te maken, want eens is het op. Op een dag zullen zelfs eGoli's goudmijnen zijn uitgeput.