Verzamelen op zijn Haags

Titus M. Eliëns (e.a.): Jaarboek Haags Gemeentemuseum 1995-1996. 216 blz. ƒ 39,50

Het vijfde jaarboek van het Haags Gemeentemuseum is grotendeels gewijd aan drie directeuren en vier conservatoren uit het tijdvak 1921 - 1977. Onder leiding van H.E. van Gelder (1912-1941), de eerste directeur, kwam het huidige Berlage-gebouw aan de Stadhouderslaan tot stand. Het in 1935 geopende museum leek door toedoen van Van Gelder in niets meer op de vroegere stoffige instelling aan de Korte Vijverberg. De sociaal-democraat Van Gelder, aanvankelijk archivaris in dienst van Den Haag, verwerkelijkte in vriendschappelijke samenwerking met architect Berlage zijn destijds vooruitstrevende ideeën over een levend museum dat nationaal en internationaal kon meetellen. De tijd van imponerende kunsttempels was volgens hem voorbij. Het publiek werd de belangrijkste factor: rondleidingen, voordrachten, museumbulletins en een leestafel zouden de kunstwerken die in intieme, goed verlichte en doelmatige ruimten waren opgesteld, toegankelijk maken.

In 1941 nam G. Knuttel Wzn. het directoraat over. Lang daarvoor was hij al aan het museum verbonden, eerst als wetenschappelijk asssistent en daarna als conservator. In die jaren legde hij de basis voor de verzameling moderne kunst. Bovendien maakte hij een begin met de wetenschappelijk beschrijving van de museumcollectie. Een van Knuttels voorkeuren gold expressionistische prenten van Duitse en Oostenrijkse kunstenaars die niet altijd tot het eerste garnituur behoorden, maar op zijn conto komt ook de aanschaf van het portret-ten-voeten uit door Egon Schiele: Edith, vrouw van de kunstenaar en dat prachtige werk compenseert veel middelmatigs.

In een apart hoofdstuk wordt aandacht besteed aan vijfenzestig jaar verzamelbeleid op het gebied van de oude en nieuwe kunstnijverheid. De verschillende directeuren zagen allen het grote belang in van collectievorming op dit terrein.

Het museum bezat al vanaf 1904, toen Delfts aardewerk nog in het geheel niet vertegenwoordigd was in de grote Nederlandse musea, een legaat van ruim 500 stukken Delftse fayence. Het aardewerk, dat bij de opening van het gebouw prominent opgesteld stond in daarvoor speciaal door Berlage ontworpen bronzen vitrines, werd de kern van een snel groeiende collectie keramiek, glas, zilver en meubilair. Grote invloed hadden twee kunstnijverheidsconservatoren, H.C. Gallois en Béatrice Jansen. Gallois, die Arabisch ging studeren om de kalligrafische teksten in die taal beter te begrijpen, breidde het bezit aan islamitische kunst en vroege Oosterse keramiek aanzienlijk uit.

Onder zijn opvolgster, Béatrice Jansen, verwierf het museum vier toiletstellen van Haagse zilversmeden. Een van deze pronkstukken, gemaakt in 1717, kon in 1969, toen de gemeente Den Haag na veel overredingskracht met een krediet over de brug kwam, voor het enorme bedrag van ƒ 225.000 worden aangeschaft.

Het Haags Museum is twee verzamelingen rijk die elk zelf een klein museum kunnen vullen: de muziek-historische verzameling en de modecollectie. De conservator van de muziekafdeling, Dirk Balfoort, van huis uit violist en meer musicus dan museumman, zag instrumenten en muziekbibliotheek als middel om veel onbekende Nederlandse componisten vanonder het stof op te graven. In de bezettingstijd richtte hij daarvoor zelfs een museumkamerorkest op. Het vroegere museumpand aan de Korte Vijverberg bezat aan het einde van de vorige eeuw al een aantal historische kledingstukken, zoals een uniform van de Haagse erewacht, maar dat waren toevallige schenkingen. Pas met de komst van F. van Thienen in 1935 veranderde dat en kwam er systeem in het verzamelbeleid.

De kostuumkundige conservator werd het jaar daarna betrokken bij een expositie van historische kleding waarvoor particulieren bruiklenen hadden afgestaan. Die expositie was het begin van aankopen en schenkingen waardoor de kostuumcollectie in Den Haag nu de grootste en interessantste modecollectie in Nederland is geworden.

De naam van de laatste directeur uit de besproken jaren is verbonden met de schilder Piet Mondriaan. Toen L.J.F. Wijsenbeek in 1951 aantrad, beschikte het museum over negen schilderijen en zes tekeningen van Mondriaan, voor een deel bruiklenen van S.B. Slijper, een vriend van de schilder.

Het is Wijsenbeeks grote verdienste geweest het contact met de curieuze Slijper te verdiepen. In de jaren vijftig en zestig gaf de verzamelaar steeds meer werk van Mondriaan in bruikleen. Wijsenbeek ging bijna maandelijks op bezoek bij Slijper, maar deze hield de museumdirecteur in onzekerheid over een definitieve schenking. Pas na de dood van Slijper bleek dat 190 Mondriaans het onvervreemdbare eigendom van het museum waren geworden.

Uit de boeiende artikelen in het jaarboek wordt duidelijk dat, ook al hadden zij te maken met zuinige gemeentebesturen en behoudende aankoopcommissies, de eigenzinnige, erudiete en bevlogen functionarissen van het museum erin slaagden bijna steeds hun artistieke wensen te vervullen. Het museum heeft aan deze zeven zo verschillende persoonlijkheden veel te danken.