Top kinderarbeid: veel mooie beloftes

Kinderarbeid stond centraal op de conferentie deze week in Oslo . Dat kinderen naar school moeten in plaats van naar de fabriek, daar is iedereen het over eens. Maar de praktijk is weerbarstig.

OSLO/ROTTERDAM, 31 OKT. Mooie beloftes zijn er genoeg. De negen pagina's tellende slotverklaring van de internationale conferentie over kinderarbeid in Oslo staat bol van de goede voornemens. Arbeid door kinderen moet uitgebannen worden, gratis onderwijs verzekerd en armoede bestreden, zo staat te lezen in het actieprogramma ter bestrijding en voorkoming van kinderarbeid, dat gisteren door regeringsvertegenwoordigers uit veertig landen, waaronder Nederland, is ondertekend. Een prachtig initiatief, helaas zonder harde garanties.

In het ontbreken van de garanties schuilt het probleem. Afspraken met betrekking tot kinderarbeid - hoe goedbedoeld ook - blijken in de praktijk nauwelijks te worden nageleefd. Dat wil niet zeggen dat er niets bereikt is. Vooral de mentaliteitsverandering die nodig was om tot dit actieprogramma te komen, is volgens de Noorse minister van Ontwikkelingszaken en Mensenrechten Hilde F.Johnson een grote stap in de goede richting.

Begin jaren negentig ontkenden regeringen nog dat in hun land kinderen werden gebruikt voor zwaar werk, meent Martha Santos Pais, directeur Beleid, Evaluatie en Planning van Unicef. “Er was grote weerstand om het probleem te bespreken.”

Grootste doorbraak, zo zeggen deskundigen op het gebied van kinderarbeid, is dat het verschijnsel nu veel breder wordt benaderd. Kinderarbeid wordt door de partijen niet langer gezien als een geïsoleerd probleem. Het is, volgens het actieprogramma, zowel de oorzaak als het gevolg van armoede en maakt dus deel uit van (vaak grote) sociale, economische en maatschappelijke problemen. De directe schuldvraag, voorheen vooral neergelegd bij werkgevers, is daarmee weggevallen. Assefe Bequele van de Internationale arbeidsorganisatie ILO verwoordt het aldus: “Kinderarbeid is een probleem van iedereen, dus is het niemands probleem.” Op deze manier wordt het regeringen makkelijker gemaakt misstanden te erkennen en mee te denken over de toekomst.

De ILO, samen met Unicef en de Noorse regering initiatiefnemer van de conferentie over kinderarbeid, is ondanks de omvang van het probleem optimistisch over de toekomst. De arbeidsorganisatie schat dat ten minste een kwart miljard kinderen werkt. De helft van hen doet dat fulltime, eenderde verricht ontoelaatbare vormen van kinderarbeid zoals prostitutie en dwangarbeid. “Over vijftien jaar zal kinderarbeid zijn verdwenen”, voorspelde ILO-directeur Michel Hansenne niettemin.

Om dat doel te bereiken is het niet voldoende om werkende kinderen te bevrijden uit hun benarde positie. Goed onderwijs is voor de ondertekenaars van cruciaal belang voor het voorkomen van kinderarbeid en de rehabilitatie van werkende kinderen in de maatschappij. Maar daarnaast moeten ook hun arme families worden ondersteund. Op dit moment zijn de inkomsten van de kinderen vaak hard nodig om het gezin in leven te houden - zolang daar geen verandering in komt, is het ondenkbaar dat de kinderen naar school kunnen in plaats van naar de fabriek.

Succesvolle projecten in Bangladesh en India hebben bewezen dat met een geïntegreerde aanpak veel is te bereiken. Het is dan wel nodig dat regeringen en bedrijfsleven bereid zijn een investering te doen in onderwijsprogramma's en armoedebestrijding. In het actieprogramma worden ze aangesproken op die verantwoordelijkheid, echter zonder middelen om afspraken af te dwingen. “We hebben nu eenmaal geen internationale politie die naleving controleert”, aldus de Noorse minister Johnson.

In de discussies over kinderarbeid wijzen de ontwikkelingslanden snel naar 'het rijke westen'. Als de westerse landen zich zouden houden aan de richtlijn van de Verenigde Naties om 0.7 procent van hun bruto nationaal produkt (BNP) aan ontwikkelingshulp te besteden, kan kinderarbeid veel effectiever bestreden worden, zo stelden landen als Egypte en Senegal deze week in Oslo. Maar ook de ontwikkelingslanden gaan niet vrijuit. Volgens het actieprogramma dat nu is opgesteld, moeten deze landen twintig procent van hun nationale inkomen reserveren voor sociale zaken, waaronder basisonderwijs en gezondheidszorg. In Pakistan en India bijvoorbeeld gaat respectievelijk 28.5 en 12.0 procent naar defensie en nog geen procent naar sociale zaken.