Toetsing bij beëindigen van leven pasgeborene

DEN HAAG, 31 OKT. Het beëindigen van het leven van pasgeborenen zonder behoorlijke levenskansen moet achteraf worden getoetst door een onafhankelijke commissie van deskundigen. Als deze vindt dat het behandelende team niet voldoende zorgvuldig heeft gehandeld, moet de commissie het openbaar ministerie inschakelen.

Levensbeëindiging van pasgeborenen moet strafbaar blijven, al dient de omschrijving in het Wetboek van Strafrecht wel aan het specifieke karakter ervan te worden aangepast. Dit staat in het rapport 'Toetsing als spiegelbeeld van de medische praktijk' dat gisteren naar de Tweede Kamer is gezonden. Het rapport is in opdracht van de ministers Borst (Volksgezondheid) en Sorgdrager (Justitie) opgesteld door een werkgroep van kinderartsen, juristen en ethici onder leiding van de hoogleraar ethiek aan de Universiteit voor Humanistiek, dr. H.A.M. Manschot. Het kabinet bepaalt binnenkort zijn standpunt over het advies.

De werkgroep kreeg van beide ministers de opdracht na te gaan of een andere procedure mogelijk was bij de melding en toetsing van levensbeëindiging van pasgeborenen. Aanleiding daarvoor was de gang van zaken bij twee gevallen waar die levensbeëindiging bij het openbaar ministerie was gemeld. De twee betrokken artsen, Kadijk en Prins, werden uiteindelijk ontslagen van rechtsvervolging, nadat was gebleken dat zij zorgvuldig hadden gehandeld. Maar de ophef hierover en de procesgang werden als zeer onplezierig ervaren. Mede daardoor zien veel artsen af van de wettelijk verplichte aanmelding.

Uit evaluatie-onderzoek blijkt dat in 1995 bij zo'n negentig van de duizend gestorven 0-jarigen de arts een actieve hand bij het overlijden heeft gehad. Bij tachtig pasgeborenen gebeurde dit door het toedienen van farmaca met de bedoeling de dood te versnellen, nadat eerder het al dan niet beginnen met of het staken van een levensverlengende behandeling aan de orde was geweest. Tien keer kreeg een pasgeborene farmaca toegediend met de uitdrukkelijke bedoeling het leven te beëindigen zonder dat er, gezien de toestand van het kind, van behandeling sprake zou zijn.

De werkgroep rekent de beslissing om al of niet aan een behandeling te beginnen, of een behandeling te staken, tot normaal medisch handelen. Zo'n besluit hoeft niet te worden gemeld, ook al kan deze de dood tot gevolg hebben. Wel zou zo'n besluit met andere deskundigen moeten worden besproken. Dat ligt anders bij opzettelijke levensbeëindiging. Die moet, net als bij euthanasie, volgens de werkgroep wel worden gemeld.

Om te voorkomen dat artsen daarvoor terugschrikken, pleit de werkgroep ervoor een multidisciplinaire commissie bij de toetsing te betrekken. Die commissie zou ook, zij het marginaal, het overlijden moeten toetsen waarbij er misschien formeel wel sprake is van levensbeëindigend handelen, maar wat in feite een onderdeel is van goede stervensbegeleiding.