Schoolprestaties

In het artikel 'Een school is geen product:' van Ton van Haperen (29 oktober) staan een aantal storende onjuistheden .

Dagblad Trouw publiceerde geen top-tien, maar een lijst van alle Nederlandse scholen voor voortgezet onderwijs, opgesplitst naar schoolsoort en provincie. Bij elkaar gaat het om een kleine achttienhonderd schoolafdelingen. Van elk van die afdelingen is het rendement weergegeven, op verschillende manieren. Ten eerste het percentage onvertraagd geslaagden (het slagingspercentage minus de zittenblijvers in het voor-examenjaar, dit om scholen die opzettelijk leerlingen laten zitten om de slagingspercentages op te krikken, hun voordeel te ontnemen). Hierop zijn de scholen geordend. Ten tweede het gemiddeld cijfer voor het centraal schriftelijk eindexamen voor Nederlands, Engels en wiskunde. En ten derde het gemiddelde percentage zittenblijvers en uitvallers in een klas. Om de lezer de mogelijkheid te geven die cijfers te relativeren is ook het percentage allochtonen op een school weergegeven. Dat percentage geeft een indicatie van het deel van de leerlingen dat met achterstanden aan de school begint.

Prof.dr. J. Dronkers van de Universiteit van Amsterdam heeft, in tegenstelling tot wat Van Haperen suggereert, met al deze cijfers geen bemoeienis gehad. Ze zijn door ondergetekende gekozen en berekend, zoals ook de algemene conclusies geheel voor mijn rekening zijn. Dronkers heeft wel een bijdrage geleverd aan de publicatie. Niet op mijn uitnodiging, maar op zijn eigen initiatief en pas nadat bekend werd dat de rechter de onderwijsinspectie had opgelegd alle door mij gevraagde schoolprestatiegegevens vrij te geven. Dronkers bijdrage bestond uit de berekening van een rapportcijfer voor elke school. Dit is een gewogen rendementcijfer, gebaseerd op het slagingspercentage, de eindexamencijfers en de zittenblijvers en uitvallers in elke klas. Op dat cijfer is een correctie voor het percentage allochtonen uitgevoerd. Het rapportcijfer is door mij aan de scorelijst gehangen als extra middel om scholen met veel instroom uit lagere sociale milieus niet ten onrechte als slechte school af te schilderen. Het rapportcijfer maakt zwakke scholen dus niet zwakker, zoals Van Haperen stelt, maar juist sterker.