Onstuimig en met frisse nijd; De correspondentie van Alexander Cohen

Alexander Cohen: Brieven 1888-1961. Bezorgd door Ronald Spoor. Prometheus. 1009 blz. ƒ 95,-

Aan strijdlust heeft het Alexander Cohen (1864-1961) nooit ontbroken. Nog in 1946 schrijft hij, hoogbejaard, aan zijn vriend Van Ravesteyn: 'Ik voel my, met myn 8 kruisjes achter de rug, nog frisch van geest, en - disons le mot! - agressief genoeg om allerlei kwispelstaartend en bauchrutschend schryf-canaille het vuige leven te vergallen'. Met zijn echtgenote Kaya Batut woonde Cohen toen in een huisje nabij Toulon, ver verwijderd van Nederland. Een Fransman onder de Fransen (hij had zich al aan het begin van de eeuw laten naturaliseren), maar zijn aandacht bleef desondanks gericht op wat er voorviel in zijn vroegere vaderland.

Dit tekent het isolement waarin Cohen, die ooit voor de Figaro schreef en in de Mercure de France een rubriek 'Lettres néerlandaises' verzorgde, op oudere leeftijd terecht is gekomen. In Frankrijk beperken zijn contacten zich voornamelijk tot de buren, voor de bevrediging van zijn polemische behoeften is hij op Nederland aangewezen. Hij maakt zich druk over de nieuwe spelling, vreest dat de onafhankelijk geworden Indonesiërs ten prooi zullen vallen aan het Amerikaanse kapitalisme en gaat als vanouds tekeer tegen zijn vijand Victor van Vriesland.

Maar erg veel dringt er uit Nederland niet tot hem door, afhankelijk als hij is - wegens chronisch geldgebrek - van de boeken, kranten en tijdschriften die zijn weinige vrienden hem toesturen. Hij heeft bewondering voor jonge schrijvers als Anna Blaman en Remco Campert, hij prijst een verhaal van G.K. van het Reve, maar vindt dat W.F. Hermans in zijn polemisch geschrijf wel eens 'vies' wordt, wat hem minder bevalt. Dankbaar is hij voor de erkenning die hem, mondjesmaat, uit Nederland bereikt: een Kronkel van Carmiggelt en een pagina in De Groene Amsterdammer in 1954, een eregeld van het ministerie in 1956, en in 1959 een bloemlezing uit zijn werk, samengesteld door Max Nord. Vlak voor zijn dood in 1961 mag hij nog beleven dat zijn beide autobiografische boeken In opstand (1932) en Van anarchist tot monarchist (1937) worden herdrukt in de Stoa-reeks van Van Oorschot.

Schrijven deed Cohen nauwelijks meer, behalve brieven, waarvan er een groot aantal te vinden is in de lijvige bundel Brieven 1888-1961 die nu is verschenen, voorbeeldig bezorgd en van talloze annotaties voorzien door Ronald Spoor. Voor iemand die ooit bekende 'een heel slordige en nalatige briefschrijver' te zijn geweest, blijkt hij er nog heel wat te hebben geschreven. Lange, uitvoerige brieven vaak, waarin zijn onstuimige karakter zich bijna tot het eind toe ongebroken heeft uitgestort.

Een gemakkelijk mens moet Cohen niet zijn geweest, voor zichzelf noch voor anderen. Door zijn eigenzinnig en rebels gemoed was hij zijn leven lang in botsing gekomen met de overheid, zoals hij zelf met smaak vertelt in zijn beide autobiografieën. Nog vóór zijn achttiende verjaardag als 'soldaat-schrijver' vertrokken naar Nederlands-Indië, bracht hij het merendeel van zijn diensttijd in de gevangenis door, waar hij voor het eerst Multatuli's Max Havelaar las. Terug in Nederland werd hij al na een paar jaar veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf, nadat hij de passerende koning Willem III had toegeroepen: 'Weg met Gorilla! Leve het socialisme! Leve Domela Nieuwenhuis!'

In Frankrijk, waar Cohen naartoe was gevlucht om aan de cel te ontkomen, duurde het evenmin lang voordat de politie hem in de kraag greep. Na de bomaanslag in de Chambre des députés door de anarchist Vaillant werd hij in 1893 als ongewenst vreemdeling het land uitgezet. De eerste brieven in de bundel stammen uit deze Parijse periode, toen hij Domela Nieuwenhuis (die met vooruitziende blik de 'individualist' in zijn jongere vriend had herkend) verzekerde dat hij nog altijd een revolutionair was 'die op elke wijze en met alle middelen de hedendaagse orde wil omverwerpen'.

Domela kreeg gelijk, zij het pas nadat Cohen drie treurige jaren in Londen en zes zo mogelijk nog treuriger maanden in een Amsterdamse cel had doorgebracht. Altijd al afkerig van de socialistische kuddegeest, liet Cohen, toen hij in 1900 weer officieel tot Frankrijk werd toegelaten, zijn anarchistische sympathieën varen, om met de hem typerende radicaliteit weldra het uiterste tegendeel van de anarchie te omarmen: hij werd een aanhanger van de monarchistische Action Française.

Het lijkt een verbijsterende ommezwaai, maar Cohen was de enige niet die na afloop van de Dreyfus-affaire alle vertrouwen in de linkse politiek verloor. Net als Charles Péguy en Georges Sorel (die ook voor de onschuldig veroordeelde kapitein waren opgekomen) kreeg hij een afkeer van de triomferende dreyfusards, hoewel hij aan hen toch zijn terugkeer in Frankrijk te danken had. Toen zij de macht eenmaal in handen hadden, gedroegen zij zich alsof Frankrijk 'hun exclusief eigendom' was, 'een buit waarop alleen zij zelf, hun creaturen en hun gunstelingen, recht hadden', schrijft Cohen vol weerzin in Van anarchist tot monarchist.

Royalist werd hij, zoals we kunnen lezen in een brief uit 1911, 'voor Frankrijk, et par utilitarisme. Met de demokratzige republiek zijn wij hier over tien jaar naar de haaien'. Maar niet alles in zijn overtuiging veranderde. Wat bleef was de afkeer van Duitsland, ongeacht of Duitsland nu werd vertegenwoordigd door Karl Marx, Wilhelm II of Adolf Hitler. Als Parijs correspondent van De Telegraaf (1906-1922) verdedigde hij tijdens de Eerste Wereldoorlog dan ook fanatiek het Franse standpunt. Gedurende het interbellum keerde hij zich zowel tegen het rode gevaar als tegen het nationaal-socialisme, dat naar zijn stellige overtuiging alleen door een krachtig (en dus monarchistisch) Frankrijk kon worden bestreden.

Merkwaardig blijft niettemin het gemak waarmee de van origine joodse Cohen zich over het antisemitisme van de Action Française wist heen te zetten, zelfs na de Tweede Wereldoorlog. Uit niets blijkt immers dat hij toen afstand nam tot zijn royalistische sympathieën. Integendeel, nog in 1951 stikt hij haast van woede als hij een kritiek leest van 'den arroganten, pedanten ploert Jan Greshoff' op Charles Maurras, de leider van de Action Française die tijdens de bezetting in verregaande mate met de Duitsers had gecollaboreerd. Radicaliteit en kritische zelfreflectie gaan blijkbaar niet gemakkelijk samen.

Uit Cohens correspondentie krijg je deze indruk meer dan eens. Rechtlijnigheid en gebrek aan introspectie schragen zijn epistolaire erupties. Ook berijdt hij wel erg hardnekkig dezelfde stokpaardjes, alsof na zijn bekering tot het royalisme zijn denken tot stilstand was gekomen. Dat leidt soms, bijvoorbeeld in zijn wantrouwen jegens de goede bedoelingen van Stalin tijdens de Volksfront-regering van Léon Blum, tot een scherpere blik dan destijds bij de meeste linkse intellectuelen voorhanden was. Maar datzelfde wantrouwen doet hem ook, geheel en al in de lijn van Maurras en de hevig bewonderde Léon Daudet, het optreden van Hitler en Mussolini tijdens de Spaanse Burgeroorlog vergoelijken, onder het motto dat Stalin was begonnen en dat bovendien Franco altijd minder erg was dan een communistisch regime.

Daar staat tegenover dat Cohen zijn extreme opinies steeds buitengewoon temperamentvol weet te verwoorden, met immer frisse nijd en vaak merkbaar plezier in zijn eigen invectieven. Zo zou hij alle nazi-kopstukken liefst levenslang in een gekkenhuis opsluiten, niet in aparte cellen maar bij elkaar in een 'gemeenschappelijk locaal'. En naar aanleiding van de atoombom betreurt hij het dat Onze Lieve Heer 'zich door Noach (een zuiplap n.b.!) liet vermurwen, en den schipper van de Ark met zyn gezin spaarde, een goedertierenheid waarvan zy misbruik maakten door zich te gaan vermenigvuldigen en het aardryk opnieuw onveilig te maken'.

Tegelijkertijd is duidelijk dat hij gaandeweg steeds meer een eenzame stem is geworden, die nog maar door weinigen werd gehoord. Dat blijkt alleen al uit het getal en de kwaliteit van zijn correspondenten. In de eerste jaren richt hij zijn brieven tot vrienden en bekenden als Domela Nieuwenhuis, Emile Zola, Multatuli's weduwe Mimi Douwes Dekker-Hamminck Schepel, Max Netlau, Herman Heyermans, terwijl ballingschap en gevangenis ook de nodige brieven aan zijn Franse echtgenote Kaya Batut hebben opgeleverd; in de latere jaren heeft hij, behalve het echtpaar Kuijper dat zich liefdevol over hem en zijn vrouw ontfermt, eigenlijk nog alleen Henri Wiessing en Willem van Ravesteyn. Uiteraard heeft deze verkleining van de kring alles te maken met Cohens leeftijd en met het teruggetrokken leven dat hij leidt in Toulon. Ook vormen de in deze bundel verzamelde brieven niet het geheel van zijn correspondentie. Maar dat laat onverlet dat de eerdere brieven toch verreweg de aantrekkelijkste zijn. Ze tonen een Cohen, die als journalist en vertaler midden in het actieve leven staat, die - zeker in Parijs - over tal van interessante relaties en connecties beschikt en die, meestal zonder geld maar altijd met een overmaat aan bravoure, zijn eigen onafhankelijkheid bevecht, indien nodig ook met de vuist. In zijn latere brieven is die onafhankelijkheid verstard tot een kleine, besloten wereld, waarin nog slechts de post er voor zorgt dat de in feite werkeloos geworden strijdlust niet voortijdig uitdooft.