New York is vol schone onderbroeken

MANHATTAN. Vandaag wil ik u iets vertellen over een leugenaar. Laten we hem Saul noemen, want ook een leugenaar moet een naam hebben en Saul is een goeie naam voor een leugenaar. (U neemt het mij vast niet kwalijk dat ik voor een keer afstand doe van de ik-vorm. Er zijn redenen voor die ik hier niet uit de doeken ga doen.)

Saul verdient zijn geld met schrijven, een gepast beroep voor een leugenaar, al handelt hij ook in aandelen, en eet en drinkt buiten de deur. Zelfs voor een glaasje sinaasappelsap gaat hij de deur uit. En op een dag in de lente zei zijn vriendin tegen hem, laten we die Mirjam noemen: “Weet je dat je meer dan negentig onderbroeken hebt, dit is niet meer normaal.” “Maar ik heb een hekel aan onderbroeken wassen,” antwoordde Saul, “dus als ik geen schone onderbroek heb, dan koop ik een nieuwe. Het leven is zo kort, waarom zou je je tijd verdoen met het wassen van onderbroeken, zeker als je bedenkt dat er door de hele stad schone onderbroeken te koop zijn. Het is onlogisch. En begrijp me goed, ik ben niet zo iemand die van anderen verlangt dat die zijn onderbroeken gaan wassen.” Toen Saul meer dan honderdvijftig onderbroeken in zijn bezit had, en hij zijn vriendin had verteld dat het haar uiteraard vrij stond een spiegeleitje te bakken, maar dat ze daarmee wel het voortbestaan van de relatie op het spel zette, besloot ze zes maanden in haar eentje op reis te gaan. “Ik kan er niet meer tegen,” had ze gezegd, “'s ochtends gaan we naar een café om te ontbijten, 's middags gaan we naar een restaurant om te lunchen, om vijf uur gaan we naar een ijssalon om taartjes te eten, 's avonds gaan we opnieuw naar een restaurant. Ik word er gek van, ik wil gewoon eens thuis eten.” “Andere vrouwen zouden jaloers op je zijn,” antwoordde Saul. “Die moeten elke dag koken.” “Ik mag nog niet eens een pak melk kopen.” “Thuis wordt er niet gegeten,” zei Saul. Alles wat hij zei, zei hij met een ironische distantie, zodat ze er tenminste om konden lachen, maar hij meende het allemaal wel. En handelde er ook naar. Toen hij haar naar het vliegveld bracht, zei ze, “je lijkt niet op een afgod, je lijkt op Mozes. Je wilt de zee splijten, maar je zult het beloofde land nooit bereiken.” “Ik zal er over nadenken,” beloofde hij. Hij had haar een keer verteld dat zijn ouders hem als een afgod hadden behandeld, en dat hij al vroeg ontdekt had dat afgoden alleen maar teleur konden stellen.

Voor de douane kusten ze elkaar, zoals oude mensen elkaar kussen. Diezelfde dag kreeg hij een brief van een vriend die hem schreef: “Ik dacht altijd dat ik me aangetrokken voelde tot jouw panische, zelfs noodzakelijke drang om een wereld te creëren (en die op anderen te projecteren) waarin je alle details kon beheersen, terwijl je tegelijkertijd het hopeloze, machteloze van die onderneming onderkende.” De vriend schreef aan Saul dat hij geen deel meer wilde uitmaken van op de werkelijkheid geprojecteerde illusies. “Je hebt het talent andere mensen in je wereld mee te slepen. Maar ik geloof dat het gezonder voor me is als ik enige afstand bewaar. Je schreef me dat ik had trieste product was van mijn opvoeding, maar dat me dat geen recht geeft op jouw mededogen, als je dat al kent. Je eerlijkheid in die laatste woorden maakt veel goed.” Zo eindigde de brief. Een van de plekken die Saul geregeld in New York bezocht was een ijssalon die we maar Tutti Frutti zullen noemen. Wat werkelijk precies de goede naam is voor de ijssalon. Saul kwam er zo vaak dat Tutti Frutti bijna zijn woonkamer werd, gelukkig kon je er ook eten. Hij raakte bevriend met de eigenares van Tutti Frutti, zullen we die maar Esther noemen? Als hij in Tutti Frutti kwam ging ze aan zijn tafeltje zitten en vertelde hem wat haar die dag overkomen was. Saul luisterde, want hij luisterde graag. Na verloop van tijd begon Esther te verkondigen dat Saul de Nobelprijs zou winnen, wat hij in alle oprechtheid pijnlijk vond. Hij vroeg haar dat van die Nobelprijs tot nader order geheim te houden. Als hij eens een avond niet naar Tutti Frutti ging, belde ze hem op, “waar ben je, is het eten niet meer lekker, ben je ziek, zal ik iets naar je huis brengen? Het leven in Tutti Frutti is saai zonder jou. We missen je.” De mensen in de stad zijn knettergek, dacht Saul, en ik ben eigenlijk nog een gunstige uitzondering. Esther had twee dochters. Eentje die ze adoreerde, en eentje die ze iets minder adoreerde.

Een paar keer dat hij naar Tutti Frutti ging kwam hij er niet Esther tegen, maar de dochter die ze zo adoreerde en die we maar Tania zullen noemen. Het leken waarlijk toevallige ontmoetingen. Pas veel later kwam Saul erachter dat ze zorgvuldig geënsceneerd waren door de eigenares van Tutti Frutti. Saul dacht altijd dat hij het was die de werkelijkheid ensceneerde, maar andere mensen bleken zich met dezelfde kunst bezig te te houden en niet onsuccesvol.

Sauls nieuwsgierigheid was gewekt en hij begon Tania brieven te schrijven. De eerste brieven waren ironisch, maar voor zover dat mogelijk is oprecht, het waren eigenlijk parodieën op liefdesbrieven. Er kwam geen reactie. Sam dacht, woorden zijn mijn instrument, als mijn woorden geen effect hebben, heb ik gefaald. Woorden moeten consequenties hebben, woorden die geen consequenties hebben zijn leugens.

Hij zag even over het hoofd dat ook woorden die consequenties hebben leugens kunnen zijn. In de volgende brieven maakt de ironie plaats voor sentiment, en het effect was overweldigend. Het sentiment was een grotere macht dan Saul ooit beseft had, en als je het maar goed gebruikte, hoefde het niet eens vals te klinken. Tania belde hem op zei, 'je laatste brief is zo mooi, ik wil je zien'. Ze zagen elkaar, raakten elkaar niet aan, maar praatten tot zeven uur in de ochtend. Saul was gefascineerd door Tania's verwondingen en door de manier waarop ze die open hield. Het leek alsof ze zich steeds op dezelfde plek stootte. Maar misschien doen wij dat allemaal wel. Hij dacht aan Pinter die had geschreven, 'de wond is bevolkt.' Haar wond was niet bevolkt maar overbevolkt. Saul schreef haar dat hij haar had willen kussen, en benoemde ook de plaatsen waar hij haar had willen kussen maar dat hij zoiets niet deed omdat hij een gentleman was en zijn verlangens beheerste. “Waarom zeg je dat soort dingen alleen maar tegen me in brieven,” vroeg ze een keer. “Dat is de enige plaats waar ik het kan zeggen,” antwoordde hij. Ze zagen elkaar, praatten en bij het afscheid kuste hij haar op te wang. Een keer ging hij mee met haar en haar kind schoenen kopen. Voor het kind. Hij besefte dat lichamelijk contact de illusie van de woorden alleen maar kapot kon maken. Van de uitdrukking 'iemand het bed in praten' had hij nooit iets begrepen. Het moesten wel woorden van een zeer bedenkelijke kwaliteit zijn als ze daarvoor gebruikt werden. Alles wat je met geld kon kopen moest je met geld kopen, en woorden moest je gebruiken voor dat wat niet met geld kan worden gekocht. Gemist worden bijvoorbeeld. Op een dag zei de eigenaresse van Tutti Frutti, “ik vind het leuk dat je mijn dochter zoveel ziet, maar mijn hart breekt als ik aan Mirjam denk.” Eigenaardig hart heb je, dacht Saul, wetende dat zij de eerste ontmoetingen zorgvuldig had geënsceneerd. Misschien is je hart wel van steen, maar misschien is mijn hart ook wel van steen. Op een avond, nadat Tania zichzelf 'tijdverspilling' had genoemd, schreef hij haar een korte brief: “Lieve tijdverspilling. Ga zo door. Je bent al veertien jaar bezig met een lang uitgerekte zelfmoord. De rest kan je ook wel zonder mij.”

De volgende nacht belde ze hem op. “Geloof het of niet,' zei ze, “ik ben bezig je een brief te schrijven.”“Ik bel terug,” zei hij, want hij besefte dat hij zijn woorden misschien niet meer onder controle zou hebben. Hij deed zijn jas aan en liep de nacht