Nederland haalde te veel kunst terug; Oorlogsbuit van 100 schilderijen

AMSTERDAM, 31 OKT. Nederlandse kunsthistorici hebben omstreeks 1950 ongeveer honderd schilderijen en vele andere kunstwerken uit Duitsland naar Nederland gestuurd, hoewel er geen enkele aanwijzing bestond dat die afkomstig waren uit ons land.

De kunsthistorici waren van 1945 tot 1952 in Duitsland om in de kunstverzamelplaatsen die door de geallieerden waren ingericht, te speuren naar kunst die tijdens de oorlog door de Duitsers uit Nederland was weggehaald. De meeste van de schilderijen die zonder reden werden teruggestuurd, behoorden in de oorlog tot de collecties van Hitler en andere hoge nazi's. Waar deze schilderijen, die nu Nederlands staatsbezit zijn, vandaan kwamen en of ze door de Duitsers waren geconfisqueerd, gekocht of gestolen, was onbekend.

Dit blijkt uit een onderzoek van NRC Handelsblad naar de werkwijze van de Stichting Nederlands Kunstbezit (SNK) die na de oorlog belast was met de recuperatie van kunstwerken uit Duitsland. Van de meer dan tienduizend als vermist aangegeven schilderijen heeft de SNK er ruim vierduizend naar Nederland teruggebracht. Zesduizend doeken zijn nog spoorloos.

De schilderijen die de Nederlanders omstreeks 1950, toen de kunstrecuperatie op zijn eind liep, op eigen initiatief opstuurden uit Wiesbaden, Baden-Baden en München, zijn in de meeste gevallen gemaakt door Nederlandse meesters als Jan van Goyen, Adriaan van Ostade, Gerard ter Borch, Jan Steen en Albert Cuyp. Deze doeken hangen nu in Nederlandse musea en overheidsgebouwen. Dat de Nederlanders te veel hebben teruggestuurd, komt waarschijnlijk doordat ze beseften dat alles wat achterbleef in Duitse handen zou vallen. Voor deze kunstwerken, waarvoor in Nederland geen aangifte van vermissing was gedaan, maakte de SNK een soort schijnaangiftes.

De schilderijen en andere kunstwerken die naar Nederland werden gerecupereerd hoewel de herkomst onbekend was, zijn door geen enkel land opgeëist. Voordat ze door de Duitsers werden buitgemaakt, hebben ze vermoedelijk toebehoord aan joden die in de oorlog zijn omgekomen.

Na de opheffing van de kunstverzamelplaatsen in 1952, bleven hier nog tienduizenden werken achter waarvan eveneens niemand de herkomst wist. Een deel is door de Duitsers geveild. Het restant werd in 1965, onder internationaal protest, verdeeld onder tachtig Duitse musea.

Naar de kunstwerken met onbekende herkomst die omstreeks 1950 naar Nederland werden gestuurd, wordt nu door het ministerie van OCW een onderzoek gedaan. Dit moet uitwijzen om hoeveel en welke kunstwerken het precies gaat. Het resultaat wordt begin volgend jaar bekend gemaakt. Aan de werkwijze van de SNK wordt in dit onderzoek geen aandacht besteed.