Museum 't Coopmanshûs wil graag in vijftiende-eeuwse stinsHoe gedachten gipsen beelden worden; Expositie van Nicolas Dings in Franeker

Beeldend kunstenaar Nicolas Dings verzamelt bijna alles, maar het interessantst vindt hij woorden, dingen, zelfs gebouwen die met het verstrijken van de tijd een andere betekenis krijgen. In Franeker is een expositie naar aanleiding van de Zeven werken van Barmhartigheid te zien.

Nicolas Dings: Hôtel-Dieu II, tot 14 december in 't Coopmanshûs, Voorstraat 49-51, Franeker. Dinsdag t/m zaterdag van 10-17 uur.

Hoewel schilder van oorsprong en opleiding (Rijksacademie Amsterdam), die voor zijn werken op papier zelfs een speciaal atelier in Frankrijk gebruikt, is een belangrijk deel van het beeldend werk van Nicolas Dings (44) toch aan het platte vlak ontstegen. Er komen sculpturen aan te pas die echter bijna altijd onderdeel zijn van veel meer omvattende installaties, waarin alle mogelijke materialen verwerkt zijn. Zoals onlangs in de Bergkerk in Deventer, waar twintig hoofdloze vrouwelijke naakten in twee rijen opgesteld correspondeerden met het ritme van het zuilenpatroon in de kerk. De kunststoffen naakten waren volgestort met zout waarmee de beelden ook aan de buitenkant bekleed waren. In totaal 2,5 ton zout, verdeeld over twintig zoutpilaren, hoewel deze weduwen van Lot nooit tot omkijken in staat zijn geweest.

Het zout in en aan de beelden van de expositie Lot's wives was voor de kunstenaar meer dan alleen maar een verwijzing naar een bijbels detail. Hij weet dat zout beladen is met allerlei mystieke bijgedachten, die naar tijd en plaats verschillen, afhankelijk van de verschillende religieuze overtuigingen. Het is soms onvruchtbaar en ziek makend en dan weer in rituele handelingen als genezende stof aanwezig.

Zoiets interesseert Dings zoals ook nu blijkt uit de expositie Hôtel-Dieu II in museum 't Coopmanshûs in Franeker, waar zeven door hem vervaardigde gipsen beelden door evenveel inwoners van Franeker werden gekleed, waarbij deze medewerkers dienden uit te gaan van de in Mattheus 25:35 aan de orde komende Werken van Barmhartigheid, van de hongerigen spijzen via de naakten kleden tot en met de zieken bezoeken, de gevangenen bevrijden en de doden begraven.

Dat de kunstenaar af en toe bijbelse aanleidingen voor zijn projecten gebruikt, heeft, zegt hij, eerder te maken met zijn gemis aan een religieuze overtuiging dan met een in hem aanwezige geloofsbasis. In de bijbel en andere volksverhalen ziet hij enerzijds een gedetailleerde duidelijkheid als het over plaatsen, personen, maten en gewichten gaat, anderzijds grote vaagheid over de precieze betekenis van de symboliek: “Ik onderzoek het waarom en probeer de antwoorden in mijn eigen beeldtaal om te zetten.”

Zijn eigen beeldtaal, daarvoor ligt het materiaal opgeslagen in het Amsterdamse atelier, op rekken, in schappen, glazen kasten, boeken en ook in zijn hoofd. Nicolas Dings is al jaren een omnivoor verzamelaar, altijd op zoek naar voorwerpen en gedachten die kunnen passen in wat hij zijn lexicon van overgeleverde beeldtaal noemt. In principe is hij in alles geïnteresseerd met als enige vage begrenzing dat het bruikbaar kan zijn voor zijn objecten, tekeningen, schilderijen. Dat kan morgen zijn, of over vier of zeven jaar. In het bijzonder let hij op dingen, woorden of desnoods gebouwen die met het verstrijken van de tijd een andere betekenis krijgen. Een andere gevoelswaarde en daarmee ook veranderende iconografische mogelijkheden.

Afwisselend werkt hij in zijn Franse en zijn Amsterdamse atelier, in het eerste aan werken op papier, in het tweede aan zijn schilderijen en objecten. Perioden van eenzaamheid in Frankrijk volgen op tijden van veel regelen in Amsterdam, waar met de bronsgieter moet worden overlegd, met de mensen die de kleding voor zijn Franeker poppen maken, enzovoorts.

Nicolas Dings vindt die afwisseling aangenaam.

Stukjes papier

Oorspronkelijk, zegt hij, ging hij bij het maken van zijn objecten vooral uit van het materiaal. Tijdens wandelingen raapte hij van alles op, veertjes, stenen, takjes, stukjes papier, die hij beladen zag met symboliek, met verweerde sporen van glorie en verval. In het Duits heeft deze werkwijze Spurensicherung, een begrip dat dus meer omvat dan wij uit Duitse Krimi's weten. Een deel van het zich ontwikkelende, strikt persoonlijke archief werd al ter plaatse op daartoe meegevoerde kartonnen plaatjes gemonteerd, om daarna in het atelier tot een soort materielandschappen te worden verwerkt.

Het materiaal werd gemengd met aarde, geperst, aan de zo ontstane 'pasta' werden kleuren toegevoegd, zodat er op panelen één geheel ontstond waarin de samenstellende delen zichtbaar bleven. Het werden abstracte landschappen, dikwijls gebonden aan een bepaalde streek. Soms streefde Dings naar algemenere effecten, bijvoorbeeld door toevoeging van kleine gedroogde visjes zoals die als kattensnoep te koop zijn. De objecten kregen zo een geheimzinnige fossiele werking. Het waren uiterst verzorgde voorstellingen met gebruikmaking van ook hout, keramiek, staal, kunststoffen en met toepassing van tijdens wandelingen en reizen opgedane indrukken van bijvoorbeeld torens, minaretten, zuilen als exotische bouwstenen.

Kortom: via het filter van de herinnering en gestimuleerd door plotseling bedachte dwarsverbanden werd het materiaal gerangschikt in andere betekenissen, collages met systematisch vergaarde impressies in een her-ordening van nieuwe schoonheid.

Dings zegt nu niet meer op deze manier te werken. Hij vond dat het werk 'te letterlijk' werd. De materie komt nu niet langer op de eerste plaats, maar wordt ondergeschikt gemaakt aan een tevoren 'uitgedacht' idee.

Conceptuele kunst dus, tot stand komend in een continu denkproces: “Ik volg de weg terug, zoek uit waarvoor allerlei dingen ooit gebruikt werden, welke betekenis ze hadden en probeer deze wetenschap vorm te geven in iets van nu.”

Heidense principes van heel vroeger bijvoorbeeld werden later gekerstend met gebruikmaking van dezelfde voorwerpen of vormen. Verschillende overtuigingen gebruiken dezelfde waarnemingen met diametraal tegenover elkaar liggende uitkomsten. Kraaien en raven zijn onheilbrengers of juist de voorboden van voorspoed en geluk. Het woord klaarkomen was vroeger een neutrale aanduiding voor iets afmaken maar heeft nu vrijwel uitsluitend een seksuele betekenis.

Dings beschouwt het zich in zijn hoofd vormende resultaat van het denken over deze zaken als het belangrijkste, de uitvoering komt op de tweede plaats maar is uiteraard de enige mogelijkheid om die gedachten te tonen.

Behalve zijn installaties maakt Dings losse objecten, waarin overigens ook allerlei dubbele betekenissen en metaforische verwijzingen een rol van belang spelen. En dan zijn er zijn beelden in de openbare ruimte. Overal in het land zijn ze te vinden en verdienen ze het geld voor het gedachtenwerk.

Een meters hoge, gestileerde vogelkooi met de vogel er bovenop als onderdeel van een zesdelige sculptuur bij Apeldoorn, een eveneens meters omvattende Watertafel bij Haaksbergen, een kleurige sierbestrating met geometrische vormen er omheen in Alkmaar, de Windroos van Schoonoord: vier bronzen zuilen met in de verte wijzende figuren erop, enzovoorts.

Barmhartigheid

In Franeker is nu de expositie naar aanleiding van de Zeven werken van Barmhartigheid, die in gewijzigde vorm ook in Dalfsen en Kortenhoef te zien zal zijn. In de bijna letterlijke zin van het woord werden voor deze tentoonstelling de naakten gekleed. Zeven gipsen mensfiguren op ongeveer halve grootte werden beschikbaar gesteld om door de bevolking van Franeker te worden gekleed. Dat wil zeggen dat Germa van Heerenbeek, directeur van 't Coopmanshûs zeven mensen uitnodigde die zij als min of meer representatief beschouwt: een dominee, een meubelfabrikant, een politie-agent, een fotograaf, een huisarts, een kledingwinkelier en een filosoof/theoloog.

In het kort formuleerden de deelnemers hun opvattingen van de Werken van Barmhartigheid. De kledingwinkelier: “Het beeld is gekleed in een jasje van mijn dochter. Barmhartigheid wil zeggen dat je iets van jezelf aan een ander geeft.” Zijn beeld kreeg ook wat te eten en te drinken mee. De huisarts: “Mensen zien iemand die barmhartig is vaak als een heel mooi mens. Dat wordt weergegeven door een mooie mantel, de mantel der liefde. Toch is barmhartigheid heel gewoon. Daarom is het beeld verder heel eenvoudig gekleed.” De predikant verzorgde zijn beeld in samenwerking met bewoners van het Psychiatrisch Ziekenhuis in Franeker. Er kwam een asielzoeker tevoorschijn, die hulp nodig heeft. De politie-agent zag kleding als niet meer dan camouflage. Naast deze zeven beelden heeft Dings zelf ook evenveel beelden gekleed en zijn er voorts zeven sokkels met losse voorstellingen die direct of indirect naar de zeven werken verwijzen.

Hôtel-Dieu is één van de zes à zeven exposities die 't Coopmanshûs per jaar organiseert, tentoonstellingen over vooral de eigentijdse kunst. Het museum heeft zich de laatste twee decennia ontwikkeld van de oorspronkelijke oudheidskamer (die er overigens nog is) tot een centrum van moderne kunst van nationale betekenis. Het zette Franeker op de kaart van de recente kunstgeschiedenis. Desondanks moest het altijd, en moet het nog steeds, opboksen tegen een onverschillig gemeentebestuur dat met enige regelmaat met beknotting dreigt. Niet zozeer omdat in Franeker het geld ontbreekt maar uit onwil tegen een 'te elitair' geachte instelling. Tot dusver wordt 't Coopmanshûs in zijn huidige vorm (gemiddeld 7500 bezoekers per jaar) gedoogd, maar opnieuw staat het bij het gemeentebestuur op de agenda, om nader bekeken te worden. Van echte belangstelling voor de moderne poot van het museum is zelden iets gebleken. Zo is de burgemeester de afgelopen jaren éénmaal bij de opening van een expositie geweest.

Germa van Heerbeek en haar medewerkers hebben nu in zekere zin de aanval als beste verdediging gezocht. Hun voorstel is het museum een meter of honderd in de Voorstraat te verplaatsen naar het nu leeg staande Martenahuis, een vijftiende-eeuwse 'stins', een versterkt woonhuis. Het diende tot voor kort als gemeentehuis maar staat nu ongebruikt. Het is, zegt Germa van Heerbeek, niet groter dan 't Coopmanshûs maar door zijn indeling wel beter geschikt voor een museaal doel.

Wat de directeur voor ogen staat is een verhuizing naar het Martenahuis, dat dan kan worden verbouwd en ingericht met de baten die verkoop van 't Coopmanshûs oplevert. Beide gebouwen namelijk zijn eigendom van de gemeente.

Het is een mooi plan.