'Mit de neus inde boecken'; Leescultuur in de Lage Landen

Gerard Jaspers: De zestiende eeuw in de Stadsbibliotheek Haarlem. De Buitenkant, 350 blz. ƒ 59,50

Marika Keblusek: Boeken in de hofstad. Haagse boekcultuur in de Gouden Eeuw. Verloren, 382 blz. ƒ 67,50

H. de la Fontaine Verwey: Uit de Wereld van het Boek, IV. Boeken, banden en bibliofielen. HES, 255 blz. ƒ 59,50

A. Schuurman, J. de Vries en A. van der Woude (red.): Aards geluk. De Nederlanders en hun spullen van 1550 tot 1850. Balans, 347 blz. ƒ 65,-

De trekschuit, het wachtlokaal en de herberg waren vroeger de plaatsen bij uitstek waar men actuele onderwerpen besprak. De gesprekken in deze rokerige lokaliteiten vonden een vaak komische neerslag in gedrukte vorm. Zo waren er schuitevaarpraatjes en zo verscheen in 1639 het Boeren-praetje van Keesje Maet, ende Broer Jochem, Pier Quijl en Matroos, met Jaep Slof.

Keesje Maet is een eenvoudige, arme boer die op weg is naar Den Haag om een baantje als klerk te zoeken. 'Ick sal daer mijn avontuer gaen soecken', zegt hij, 'ick ken noch wat lezen en schrijven, en ien lutje rekenen, ick hoor datmen in 't Haeghje wel te recht kan komen'. Keesje mijmert verder over een mooie toekomst, hij zal 'voor de goeluy wat soecken te schrijven' en dan langzaam maar zeker hogerop komen. Het opvallende van dit 'praetje' is dat een als simpel beschreven boer kon lezen, schrijven en rekenen en dat hij dit vermogen niet aanwendde om stichtelijke teksten tot zich te nemen, maar om geld te verdienen. Zo moesten ook de koopman, de herbergier, de winkelier, de postbesteller, de officier ter zee of te land, en zovele anderen kunnen lezen schrijven en rekenen, wat verder niet wil zeggen dat zij ooit voor hun plezier een leesboek ter hand namen. Dat klinkt voor de hand liggend, maar het is in de bestudering van leescultuur en geletterheid altijd veronachtzaamd.

De bespiegelingen van Keesje Maet staan in het onlangs verschenen proefschrift van Marika Keblusek, Boeken in de hofstad. Haagse boekcultuur in de Gouden Eeuw. Het is een gedetailleerde studie over de vele aspecten van de boekcultuur. Binnen de economisch-historische ontwikkeling van Den Haag worden de organisatie van het boekbedrijf, het gilde, de drukkers, plaatsnijders, uitgevers en boekverkopers behandeld, de veilingen, de leescultuur, Haagse bibliotheken, de literatuurproducenten, met name de rederijkers en nog veel meer. Het geeft een buitengewoon levendig en ook nuchter commercieel inzicht in de wereld van het boek in de hofstad.

Boekconsumptie

Kebluseks boek past in de herleving die de boekwetenschap in Nederland de laatste vijftien jaar heeft doorgemaakt. Een uitstekend overzicht van de geschiedenis en de resultaten van het Nederlandse onderzoek is twee jaar geleden verschenen onder de titel Drukkers, boekverkopers en lezers in Nederland tijdens de Republiek (Sdu 1995). Wie op de hoogte wil blijven van lopend onderzoek moet lid worden van de jonge Nederlandse Boekhistorische Vereniging en daarvan het altijd zeer gevarieerde Jaarboek lezen of een abonnement nemen op het tijdschrift De Boekenwereld.

Van de drie hoofdaspecten van de boekcultuur - productie, distributie en consumptie -, is het laatste het meest problematisch. Hoe kan men te weten komen wie er las, hoe men las en wat men las? Van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden wordt over het algemeen aangenomen dat de geletterdheid groot was en dat er een omvangrijk en gretig lezerspubliek bestond. Maar werkelijk aangetoond is dat nooit. Wel is in het algemeen vast te stellen dat sedert de uitvinding van de boekdrukkunst steeds meer boeken op de markt zijn gekomen, dat het theologisch overwicht hierin langzaam verminderde, dat het aantal boeken in het Latijn afnam ten gunste van boeken in de landstaal en bovendien dat er steeds meer goedkope boeken verschenen. Daar komt bij dat in Nederland het lager onderwijs goed georganiseerd was en lezen, schrijven en rekenen dankzij meester Bartjens en zijn collega's grondig werden onderwezen. Men mag dus aannemen dat buiten het humanistisch geschoolde publiek, buiten de theologen, juristen en geleerden van allerlei slag, een veel breder en ook een veel ruimer geïnteresseerd publiek ontstond. Er is zelfs een theorie ontwikkeld, die zegt dat er een ontwikkeling is vast te stellen van 'intensief' naar 'extensief' lezen. In de Middeleeuwen en tijdens de Renaissance zou maar een klein lezerspubliek hebben bestaan. Zij die lazen concentreerden zich op een gering aantal teksten dat keer op keer van a tot z gelezen werd. Deze teksten, vooral van religieuze aard, zou men zo goed en zo vaak hebben gelezen, dat men ze uit het hoofd kende. In de loop van de 18de eeuw zou tijdens de zogeheten 'leesrevolutie' het aantal gedrukte publicaties stormachtig zijn gegroeid en zouden er steeds meer mensen zijn gaan lezen, die ook een veel grotere variëteit aan boeken aanschaften.

Dat klinkt plausibel, maar klopt deze theorie en kan men die toetsen? Getuigenissen van verwoede lezers zijn uiterst schaars. Er zijn maar enkele dagboeken bewaard die inzicht geven in leesgedrag. Een van de mooiste en door zijn levendige notities indrukwekkendste voorbeelden daarvan is het dagboek van de Haagse schoolmeester David Beck over het jaar 1624. Hij noteerde precies wat hij per dag las, zoals op 4 juli: 'las morgens voor de school 1/2 uijr in Essais de Montagne, ende naer de schole wel 1 uijr lanck in Art Poetique de Jacques Pelletier'. Terecht is van dit bijzondere, persoonlijke handschrift een editie verschenen, Spiegel van mijn leven (Verloren, 1993).

Inventarissen

Er zijn verschillende methoden beproefd om leesgedrag systematisch te reconstrueren. Men kan het titelaanbod van uitgevers bestuderen, boedelinventarissen, bibliotheek- en boekveilingcatalogi analyseren, men kan handtekeningen turven in seriële bronnen. Maar elk van die methoden heeft zijn tekortkomingen. Een boedelinventaris geeft inzicht in het bezit van een huishouden op een bepaald moment, bij faillissement bijvoorbeeld of na overlijden. Maar het is een tijdopname. Misschien waren er, nog voor de notaris een stap over de drempel had gezet, al boeken verdonkeremaand, misschien waren er boeken uitgeleend. Ook bestonden er slordige of haastige notarissen die vage titelbeschrijvingen gaven, en doorgaans werd het goedkope drukwerk, de pamfletten, de almanakken, de liedbundeltjes of de bovengenoemde schuitevaarpraatjes, helemaal niet vermeld.

De catalogi van particuliere bibliotheken vertonen als bron weer andere gebreken. Het zijn cumulatieve inventarisaties, dat wil zeggen dat de boeken in de loop van vele jaren zijn aangekocht, gekregen of geërfd. Mogelijk zitten er hele onderdelen in die de eigenaar nooit gelezen heeft. Dan hebben we nog de fonds- en magazijncatalogi van uitgevers. Die vertellen alles over het aanbod maar weinig over de consumptie. Slechts in enkele gevallen zijn ook de klantenboeken van boekverkopers bewaard gebleven, met titels, prijzen, klanten en al. De bestudering daarvan heeft enkele interessante resultaten opgeleverd, waarover hieronder meer. Ten slotte bieden ook de archieven van leesgezelschappen mogelijkheden om leesgedrag te onderzoeken. Maar deze gezelschappen dateren pas uit de late achttiende eeuw en de leden werden gerecruteerd uit maar één sector van de maatschappij: de burgerij.

Het meest overzichtelijk om te bestuderen zijn bibliotheken en geregeld verschijnen er dan ook publicaties over bibliotheken, zowel van particulieren als van instellingen als een stad, een universiteit of een hof. Een nieuw verschijnsel in Nederland omstreeks 1600 was de stadsbibliotheek, doorgaans Librye genaamd. Die van Zutphen is tegenwoordig nog het meest bekend omdat die intact is gebleven en ook valt te bezoeken. Maar ook steden als Amsterdam, Deventer, Haarlem, Hoorn, Enkhuizen en Edam bezaten dergelijke bibliotheken. In 1596 besloot het stadsbestuur van Haarlem bijvoorbeeld dat zij 'een Librye sal toerusten'. Wat deze bibliotheek ooit bezeten heeft aan 16de-eeuwse boeken is uitvoerig beschreven in het mooi door Gerrit Noordzij vormgegeven boek van Gerard Jaspers De zestiende eeuw in de Stadsbibliotheek Haarlem.

Behalve een uitvoerige beschrijving van de afzonderlijk boeken bevat Jaspers' studie inleidende hoofdstukken over de drukkers, de vormgeving van het titelblad, de door deze boeken beschreven vakgebieden en de herkomst van de boeken, door schenking, aankoop en confiscatie, waaruit de schoksgewijze en toevallige uitbreiding van het bezit duidelijk wordt. Aan 16de-eeuwse boeken overheerst hier de theologie met veertig procent, voornamelijk bijbels, daarop volgen de klassieke en humanistische auteurs en vervolgens Nederlandse literaire werken, boeken over geschiedenis, juridische werken, boeken over geografie, reizen, medicijnen en archeologie. In totaal zijn dat 737 gedrukte boeken. Kenmerkend is dat zeventig procent van de boeken in het Latijn is gesteld.

Niet bekend

P.C. Hooft

Iets beter ingelicht zijn we over de Stadsbibliotheek van Amsterdam. Die werd opgericht kort na 1578, toen Amsterdam de kant van de Opstand tegen Spanje had gekozen. Een bericht uit 1611 omschrijft deze bibliotheek als een 'schat van alle soorte van seer costelicke boecken' en een catalogus van een jaar later noemt dan al 765 titels, alle ondergebracht in de Nieuwe Kerk. Niet alleen was zij groter dan die van Haarlem, ze was ook moderner. De geschiedenis van deze bibliotheek is beschreven door de nestor van de naoorlogse boekgeschiedenis Herman de la Fontaine Verweij. Dit jaar verscheen postuum het laatste deel van zijn verzamelde opstellen. In deze bundel is, behalve studies over boekbanden, drukkers en bibliotheekbezitters, een artikel over de Amsterdamse Stadsbibliotheek opgenomen. Ook hier was een groot aandeel theologie; in 1612 nog vijftig procent. Daarna volgen de rechtswetenschappen, medicijnen, oude en nieuwe geschiedenis, wiskunde en ten slotte verschillende sectoren van de literatuur. Ook hier zijn de meeste boeken in het Latijn.

Een verschil met Haarlem is dat we hier tenminste een glimp van het publiek kunnen opvangen. Ook in Amsterdam was de bibliotheek bestemd voor ontwikkelde personen, voor, zoals burgemeester Hooft het omschreef 'alle gheleerde ende gheleertheyt-lievende inwoonders'. Maar ook noemt hij bezoekers die 'zeer ionck van iaren' waren. En zijn zoon, P.C. Hooft, laat in zijn blijspel Warenar uit 1618 Ritsert 'in de Libry' zitten, 'mit de neus inde boecken'. Het is onwaarschijnlijk dat boertjes als Keesje Maet hier ooit een stap over de vloer hebben gezet. Als zij het al hadden gewild, hadden zij alleen met zeer goede connecties in de goede kringen mogen rondkijken.

Deze Stadsbibliotheek valt volkomen in het niet bij de grootste particuliere bibliotheek van het 17de-eeuwse Nederland, die van de Amsterdamse staatsman en diplomaat Adriaen Pauw (1585 - 1653). Die stak met zijn 16.000 titels alle andere bibliotheken naar de kroon en was in binnen- en buitenland vermaard. Ook hieraan heeft De la Fontaine Verweij een artikel gewijd en hij laat zien hoe de bibliotheek was opgebouwd volgens de toen gangbare disciplines. Hij suggereert dat Pauw de bedoeling heeft gehad er een openbare gebruiksbibliotheek van te maken, zoals die in Frankrijk eveneens door particulieren werden opgericht. Maar zoals doorgaans bij fraaie collecties, waren de financiële wensen van de erven sterker dan hun zorg om de publieke zaak en werd de hele zaak geveild.

Amsterdam was het boekencentrum niet alleen van Nederland, maar van heel Europa. De boekencultuur in Den Haag had een heel eigen karakter doordat het een typische diplomatenstad was. Dat betekende een sterke internationale oriëntatie en een groot aanbod van juridische werken. Al die ambtenaren en diplomaten konden niet alleen terecht in de boekwinkels, maar ook bij de tientallen boekenkramen in 'de Grote Zaal', nu beter bekend als de Ridderzaal. De auteur van Boeken in de hofstad merkt op dat er een gevarieerd boekenaanbod was. Maar uit haar onderzoek in honderd boedelinventarissen uit de periode 1600-1660 blijkt dat het aantal boeken in de Haagse huizen niet groot was en dat die boeken ook niet tot de meest kostbare behoorden. De grootste boekbezitters bezaten enkele honderden boeken. De meesten beschikten over één tot tien boeken; en wanneer iemand maar één boek bezat, was dat altijd een bijbel of een psalmboekje. Opvallend is dat de leden van de hogere standen niet per definitie veel boeken in huis hadden. Een Hagenaar die zelfs burgemeester was geweest, bezat alleen wat godsdienstige werken. In het huis van een schepen werd zelfs geen enkel boek aangetroffen. Wat ambachtslieden en mensen uit de kleine middenstand bezaten is onzeker. De eenvoudige schoolmeester David Beck beschrijft daarentegen hoe fanatiek hij las. De bijbel, vader Cats, nieuws, Franse en Latijnse dichters, maar wat dat voor hem betekende, zo geeft ook Keblusek toe, we zullen er nooit precies achter komen.

Klantenboeken

Een onderzoek naar boedelinventarissen van Weesp en Weesperkaspel in de 17de en 18de eeuw laat eveneens zien hoe verspreid over de sociale lagen boekbezit was. Ook boeren bijvoorbeeld bezaten boeken, weliswaar minder dan stedelingen, maar toch. Een artikel hierover staat in de bundel Aards geluk, waarin een reeks onderzoeken naar bezit van Nederlanders, doorgaans gebaseerd op boedelinventarissen is opgenomen. Wat boeken betreft, blijken bijbels favoriet te zijn. En zonder twijfel zal Keesje Maet thuis een bijbel met koper of zilverbeslag hebben bezeten, en ook nog wel een psalmboek en andere stichtelijke lectuur.

Ook over leesgedrag, maar dan van een eeuw later is gepubliceerd en dan vooral gebaseerd op archieven van boekhandels in Middelburg en in Zwolle, omstreeks 1800. In een mooi uitgegeven en zeer prettig geschreven boek Lezen en schrijven in de provincie (Primavera Pers, 1995) laat Han Brouwer zien hoe gecompliceerd het is, ook in de zoveel latere tijd, om iets concreets over lezers en leesgedrag vast te stellen. Brouwer heeft de klantenboeken van drie Zwolse boekverkopers onderzocht, die een indruk geven van de verkoop vanaf het eind van de 18de tot de vroege 19de eeuw. Hij identificeerde zowel de klanten als de titels en kon zo precies nagaan wie wat wanneer kocht.

De conclusies zowel van het onderzoek in Middelburg als in Zwolle geven de theorie van de 'leesrevolutie' geen gelijk. Het aantal boekenbezitters bleef beperkt. In niet meer dan zes procent van de Middelburgse huishoudens werden regelmatig boeken gekocht, in tien procent gebeurde dat incidenteel en alleen degenen die toch al lazen, lijken meer en gevarieerder te zijn gaan lezen. Brouwer komt voor Zwolle tot verwante conclusie. In maar tien procent van de huishoudens werd min of meer regelmatig een boek aangeschaft. Maar het bijzondere is dat de regelmatige en gevarieerde aankoop van lectuur voorkwam in alle lagen van de bevolking en dat de kopers, van welke klasse dan ook, min of meer hetzelfde aanschaften.

Alle onderzoeken, met welke bronnen ook uitgevoerd, wijzen in één richting: beroep, welstand en sociale status zijn veel minder doorslaggevende factoren bij de aanschaf van boeken dan persoonlijke interesse. Het idee van een welgestelde, nieuwsgierige, ontwikkelde toplaag die ook nog eens een voortrekkersrol in het intellecuele leven zou spelen, blijkt een fictie. In alle sociale lagen, de allerlaagste klasse uitgezonderd, kwamen boeken voor, al was de kans dat je ze aantrof in de gegoede milieus groter. Bij allen, ook bij hen die weinig boeken bezaten, was stichtelijke lectuur aanwezig, in de eerste plaats de bijbel, het basisboek in elk huishouden. Maar in talloze huishoudens van welgestelden stond maar een mager bibliotheekje, terwijl een eenvoudige klerk of schoolmeester, een boer of een bakker, met een bescheiden inkomen juist weer alles op alles gezet kon hebben om een grote boekenschat te verwerven.

De consequenties van deze vaststellingen blijven niet beperkt tot het domein van de boekgeschiedenis. Het betekent dat men het hele idee van het 'dalende cultuurgoed' moet herzien. Het gangbare denkbeeld dat nieuwe vormen van cultuur ontwikkeld worden in de hogere lagen van de maatschappij en dan langzaam maar zeker in de lagere bredere klassen wordt opgenomen is onjuist. Ook recente onderzoeken in de kunstgeschiedenis, de historische letterkunde, de wetenschapsgeschiedenis en de techniek wijzen erop dat vernieuwingen eerder zijn voortgekomen uit de lagere klassen, uit experimenten en zelfstandig onderzoek van indiviueel opererende ambachtslieden en van autodidacten, dan in de kringen van de elite, in de universitaire milieus, of in de gilden, waar juist conservatieve krachten werkzaam waren.

Voorlezen

Bij de begrippen boek, druk en lezen moet niet vergeten worden dat het niet alleen om 'verstandige' boeken gaat, om academische werken en hogere literatuur, maar dat er een enorme hoeveelheid lectuur werd geproduceerd en een massa gebruiksdrukwerk: overheidsaankondigingen, pamfletten, veilingberichten, liedboeken, schoolboeken, kluchtboekjes, allerhande politieke en religieuze traktaatjes en niet te vergeten nieuwsbrieven en kranten. Juist met dit drukwerk dat weinig investeringen vergde en snel kon worden omgezet werden de grote winsten behaald. Maar het bezit van dit soort drukwerk is zo zelden aan te tonen in de bronnen, omdat dit goedkope gebruiksgoed een kort leven beschoren was; het werd gewoon weggegooid. En er is nog iets. Bij het verschijnsel 'lezen' moet men ook niet alleen denken aan het individuele lezen van een boek. Er viel in Nederland in de open lucht ook opvallend veel te lezen: uithangborden, gevelstenen, overheidsverordeningen aan de pui van het stadhuis, aankondigingen van veilingen en ander reclamedrukwerk dat op de winkelluiken was geprikt, vertrektijden van koetsen en trekschuiten. En dan hebben we het nog niet eens over het passief opnemen van teksten, wanneer men voorgelezen werd.

Als Keesje Maet al eens drukwerk kocht, zal het toch eerder een nieuwsbericht, een liedje over een actuele gebeurtenis, kortom een efemeer drukwerkje van een stuiver zijn geweest, dan een nieuw deel van de atlas van Blaeu, of De Nederlandsche Historiën van P.C Hooft. Maar gezien de resultaten van al het leesonderzoek hoeft dat niet eens waar te zijn. Stel dat Keesje het in die deftige stad gemaakt had en in tien jaar was opgeklommen tot een betrouwbare klerk, een copiist zoals er zovele nodig waren in dat diplomatieke wespennest Den Haag. Stel dat hij een huisje had en een zakcent opzij kon leggen. Wie weet had hij ook een bibliotheek aangelegd. Niet zo groot en niet zo kostbaar. Maar het is allerminst uit te sluiten dat hij tijdens zijn loopbaan als nijver pennist tegen een bescheiden traktement ook een aardige boekenschat heeft opgebouwd, die groter was dan de bibliotheek van menig Haags regent.