Kritiek op beleid uitzetting Iraniërs

DEN HAAG, 31 OKT. De Tweede Kamer heeft de staatssecretarissen Schmitz (Justitie, PvdA) en Patijn (Buitenlandse Zaken, VVD) gisteren in het vervolg van een debat over Iraanse asielzoekers zwaar onder vuur genomen. Dinsdag moeten zij en minister Van Mierlo (Buitenlandse Zaken, D66), politiek verantwoordelijk voor het doen en laten van ambassades, zich verantwoorden tegenover de voltallige Tweede Kamer.

Nadat beide staatssecretarissen hadden erkend de Kamer niet goed te hebben geïnformeerd over het terugsturen van Iraanse asielzoekers, betichtte D66 hen van “knulligheid” en sprak de PvdA van “niet fraai, ongelukkig en onhandig”. VVD en PvdA eisten ook de aanwezigheid van D66-minister Van Mierlo bij het debat van dinsdag. Deze moet daarvoor een bezoek aan Australië en Nieuw Zeeland uitstellen.

Schmitz en Patijn erkenden gisteren dat teruggestuurde Iraanse asielzoekers sinds december 1996 niet meer in de gaten worden gehouden door leden van de Nederlandse ambassade in Teheran. Deze 'monitoring' was ingesteld om te zien of teruggestuurde asielzoekers worden lastiggevallen door de Iraanse autoriteiten.

Het CDA, de grootste oppositiepartij, vindt dat in elk geval Schmitz moet opstappen. Ook de kleinere christelijke partijen vinden de gang van zaken “onacceptabel”. Het Tweede-Kamerlid Rouvoet (RPF) uitte harde kritiek.

Volgende week dinsdag zal blijken of Schmitz en/of andere bewindslieden opstappen. Dan praat de Tweede Kamer in een plenaire zitting over de politieke consequenties van het verstrekken van onjuiste informatie door beide staatssecretarissen. De kans dat Schmitz opstapt is echter klein. De woordvoerders van de regeringsfracties VVD, PvdA en D66 zullen waarschijnlijk een motie van afkeuring van de oppositiepartijen niet ondersteunen.

Het volgen van Iraanse asielzoekers is al lang een heet hangijzer in de Tweede Kamer. Afgelopen juni stemde een overgrote meerderheid van de Kamer in met een motie van de regeringsfracties, waarin om uitbreiding van de bestaande monitoring in Iran werd gevraagd. Schmitz nam die motie over.

Pagina 2: Schmitz: ik was niet op de hoogte

Zij was, zei Schmitz gisteren, op dat moment niet op de hoogte van het feit dat de Nederlandse ambassade was gestopt met monitoring. Wel waren ambtenaren van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en van Buitenlandse Zaken op de hoogte. Zij verzuimden Schmitz te informeren, ook nadat de motie in de Kamer was aangenomen. Schmitz nam daarvoor gisteren de verantwoordelijkheid op zich en bood de Kamer haar excuses aan. “Ik had het kunnen weten en ik had het moeten weten.”

De bewindsvrouw begreep pas op 20 oktober dat Buitenlandse Zaken de monitoring had gestaakt. Op die dag liet een ambtenaar van Buitenlandse Zaken zich tijdens een hoorzitting over de mensenrechtensituatie in Iran ontvallen dat de ambassade al enige maanden de teruggekeerde asielzoekers niet meer volgde.

De ambassade stopte daarmee in december 1996 onder druk van de Iraanse autoriteiten, aldus staatssecretaris Patijn gisteren. Kort daarna ontstond een diplomatieke ruzie tussen de Europese Unie en Iran over de betrokkenheid van de Iraanse staat bij een aanslag op een restaurant in Berlijn. Patijn: “Er ontstond een buitengewoon akelige diplomatieke relatie”. Hij achtte het “te gevoelig” om openbaar te maken dat er onenigheid was over het volgen van asielzoekers. Bovendien werden van januari tot en met juli maar zestien Iraniërs uitgezet; daarna niet meer, aldus Patijn.

Beroering ontstond gisteren ook over een rapport van Buitenlandse Zaken over de situatie in Iran, het ambtsbericht. Patijn erkende dat de “tekst van het ambtsbericht onzorgvuldig is”. Mede op basis van een ambtsbericht bepaalt Schmitz of asielzoekers worden teruggestuurd. In het rapport van begin juni schrijft Van Mierlo dat Iraanse asielzoekers “steeds” op het vliegveld worden opgevangen. “Het woord steeds had er niet mogen staan”, aldus Patijn.