Kousbroek en het wereldbeeld van Mulisch

Soms wordt iets dat je hebt geschreven op een onverwachte manier bevestigd. Niet door de wereldziel, maar door iemand die zich in het geschrevene heeft herkend en, zonder de herkenning te willen toegeven, publiekelijk tegenspartelt. Mij overkwam het vorige week, toen ik in het Cultureel Supplement Rudy Kousbroeks reactie las op mijn stuk in Boeken (17 oktober) naar aanleiding van de zeventigste verjaardag van Harry Mulisch.

In dat stuk probeer ik te verklaren waarom Mulisch, anders dan vergelijkbare grootheden als Hermans of Reve, bij feestelijke gelegenheden altijd ook op een tegenstem kan rekenen, die alles afwijst wat hij vertegenwoordigt. Aan Mulisch' werk kan het niet liggen, schreef ik, niet omdat het mij onbekend zou zijn dat sommige Nederlanders niet van zijn werk houden, maar omdat de afkeer die Mulisch ten deel valt zich zelden of nooit alleen op het werk richt.

Met literaire kritiek heeft die afkeer dan ook weinig te maken, zoals Kousbroek in zijn reactie op mijn stuk demonstreert door niet één van Mulisch' romans te noemen. Dat verhindert hem niet om te schrijven: 'Dat Mulisch niet in de schaduw van grote schrijvers als Hermans en Van het Reve kan staan lijkt mij persoonlijk een evidentie'. Wanneer iets zo evident is, zijn argumenten blijkbaar overbodig, en volstaat het een niet-literair werk als De compositie van de wereld 'belachelijk' te noemen en Mulisch' pretenties 'opgeblazenheid' te verwijten. Wat kan het leven soms toch eenvoudig zijn. En overzichtelijk.

Het is duidelijk dat Mulisch' wereldbeeld niet overeenstemt met dat van Kousbroek. Maar meer dan dit is er niet evident, en daarom doet Kousbroek zo vlijtig zijn best om Mulisch belachelijk te maken. Elke poging om zich te verdiepen in het wereldbeeld, zoals dat niet alleen in De compositie van de wereld maar ook in Mulisch' romans tot uiting komt, ontbreekt. Waarom zou je ook moeite doen voor iets, waarvan de ondeugdelijkheid bij voorbaat al vaststaat?

Vorige week had Kousbroek aan een paar citaten uit een interview met Mulisch door Michael Zeeman in de Volkskrant genoeg om andermaal zijn gelijk te halen. Dat er ook door Hermans, om over Reve nu maar te zwijgen, in interviews wonderlijke dingen zijn gezegd, doet dus niet ter zake. Terecht wat mij betreft, want de grootheid van een schrijver is niet afhankelijk van wat hij in interviews beweert. Het enige wat telt is het werk.

Als een schrijver er vreemde, dwaze of onlogische ideeën op na houdt, hoeft dat geen reden te zijn om zijn literaire kwaliteiten in twijfel te trekken. En ook binnen zijn werk kan een schrijver zulke ideeën naar believen ventileren of gebruiken, zonder dat het zijn literaire waarde hoeft aan te tasten. Omgekeerd geldt hetzelfde: een schrijver met ideeën die Kousbroek wèl bevallen, is om die reden nog geen groot schrijver.

Zo is het bij Reve, zo is het bij Hermans. Alleen bij Mulisch is het niet zo. In zijn geval speelt ook nog iets anders mee, dat - onafhankelijk van de literaire verdiensten van het werk - tot afkeer uitnodigt. Precies op dit merkwaardige verschijnsel heb ik in mijn stuk van twee weken terug de aandacht willen vestigen.

Daarbij verwees ik naar de satirische roman De Herenclub van Max Pam, die in 1997 op humoristische wijze de immer aanwezige tegenstem vertolkt. Volgens Kousbroek is dit boek gebaseerd op een 'welomschreven kritisch oordeel'. Het kan zijn, maar in de roman zelf heb ik dat oordeel niet aangetroffen, tenminste niet als een literair oordeel. Ten nadele van Pams roman zegt dit niets, satire is niet hetzelfde als literaire kritiek. Maar zijn boek past wèl naadloos in een Nederlandse traditie, waar Mulisch belachelijk wordt gevonden en gemaakt, zonder dat serieus op diens werk wordt ingegaan.

'Waar komt die kennelijk onbedwingbare behoefte aan satire en distantie vandaan', vroeg ik mij af en driekwart van mijn stuk bestond uit een mogelijk antwoord op deze intrigerende vraag. Aan Kousbroek is dat antwoord niet besteed geweest, want in zijn reactie negeert hij het. In plaats daarvan komt hij met een opmerkelijke insinuatie.

Kousbroek schrijft over mij: 'Hij gaat niet zover dat hij zegt dat dit boek (De Herenclub, A.H.) alleen maar ingegeven kan zijn door lagere motieven als nijd en rancune, maar dat is wanneer iets bespot wordt in Nederland wel de vanzelfsprekende veronderstelling'. Met andere woorden: omdat ik een Nederlander ben, zal ik stiekem wel vermoeden dat Pams satire uit de genoemde 'lagere motieven' is voortgekomen. Maar in mijn stuk zeg ik niets van dien aard, de enige die met 'lagere motieven' komt aanzetten is de Nederlander Rudy Kousbroek.

Het is dat ik Kousbroeks vertrouwen in evidenties moet missen, anders was ik bijna gaan geloven dat hij het ditmaal inderdaad bij het rechte eind heeft, zij 't op een iets andere manier dan hij zelf bedoelt en meer dan hem lief zal zijn.